skipToContent
All countries
Country

Belgium

19 stories

Klasse Vlaanderen

“Samenwerken met ouders begint lang vóór het oudercontact”

Veel scholen zetten in op ouderbetrokkenheid. Toch hapert de tandem steeds vaker. Sommige ouders weten amper hoe Smartschool werkt of blijven weg van het oudercontact. Andere zitten er dan weer ‘bovenop’. Hoe werk je goed samen met die diverse groep ouders? Marie Seghers en Jan De Mets (UGent) vertalen onderzoek naar concrete tips voor leraren. © Alexandra Bertels Jan De Mets: “Wat ouders thuis doen, maakt het grootste verschil.” Waarom wringen klassieke vormen van ouderbetrokkenheid vandaag? Jan De Mets, Expertisecentrum Taal, Diversiteit & Leren (UGent) : “Ouders zijn niet zomaar ‘klanten’ van de school die aan de zijlijn toekijken. Ze hebben de verantwoordelijkheid om samen met de school actief werk te maken van een sterke leeromgeving voor hun kind. Ze zijn met andere woorden educatieve partners, elk vanuit hun pedagogische wereld. Toch zien we vandaag dat bijvoorbeeld communicatie met ouders te vaak eenrichtingsverkeer is: het is vooral de school die het initiatief neemt om informatie te versturen.” “Daarnaast focussen scholen traditioneel sterk op fysieke aanwezigheid van ouders op school, terwijl de impact van thuisbetrokkenheid op leerprestaties groter is, en terwijl minder zichtbaar zijn niet zomaar desinteresse impliceert.” “Scholen vullen ouderbetrokkenheid vaak in als: een uitstap begeleiden, helpen op het schoolfeest, zetelen in de ouderraad … en met stip op één: aanwezig zijn op het oudercontact . Dat formele moment blijft weliswaar essentieel om een vertrouwensrelatie op te bouwen, maar de klassieke vorm staat vandaag soms onder druk: zo blijven ouders om diverse redenen – van werkdruk tot onzekerheid – weg.” Marie Seghers, Expertisecentrum Taal, Diversiteit & Leren (UGent): “Bovendien is het klassieke 10-minuten-format niet altijd meer toereikend. Nederlands onderzoek toont aan dat leraren gemiddeld 80% van de spreektijd innemen. Dat laat weinig ruimte voor echte dialoog . Complexe vragen krijgen daar ook nauwelijks ademruimte. Daarom is een diepgaander vervolggesprek plannen in sommige gevallen nodig. Scholen experimenteren in die zin ook met KOM-gesprekken , waarbij de leerling actief wordt betrokken.” Zet de regisserende rol van de school de samenwerking met ouders onder druk ? Jan: “Er sluipt soms onbedoeld een onevenwicht in de relatie. Sommige ouders krijgen het gevoel dat ze tekortschieten. Ze ervaren de school als afstandelijk of beoordelend en trekken zich terug. Anderen gaan net in de overdrive: ze volgen elk bericht, sturen bij waar ze kunnen en willen geen enkele kans missen voor hun kind. Die betrokkenheid slaat soms om in druk , ook voor leraren.” “Daarom pleiten we voor wederkerigheid en gelijkwaardigheid in de relatie. Ouders en leraren delen tenslotte hetzelfde doel: de ontwikkeling van het kind. Hun rollen vullen elkaar aan. Als leraar ben jij de expert in leren en didactiek. Ouders kennen hun kind van binnenuit: zij zien talenten, gevoeligheden en drempels die op school niet altijd zichtbaar zijn.” “Net door die perspectieven te verbinden ontstaat een rijker beeld van de leerling. En dat vraagt van beide kanten dezelfde beweging: luisteren, afstemmen en bereid zijn om je blik bij te stellen. Vanuit die idee van partnerschap hebben we het dan ook liever over ‘samenwerking met ouders’ dan over ‘ouderbetrokkenheid’.” Wanneer begin je te bouwen aan zo’n effectief partnerschap? Jan: “Niet pas wanneer het moeilijk wordt. Wacht je tot een slechtnieuwsgesprek over tegenvallende cijfers of negatief gedrag, dan ben je te laat. Vertrouwen groeit vanaf het eerste contact. Vaak begint dat bij de inschrijving . Wat je daar uitstraalt, blijft nazinderen. Ga bij je onthaal dus verder dan de administratie. Laat ouders merken dat ze welkom zijn en gezien worden. En kies meteen voor dialoog: wat moeten we weten over jullie kind? Wat heb jij nodig? Hoe blijven we in contact?” “Wie met kinderen werkt, werkt altijd met ouders. Daarom loont het om in de eerste weken en maanden bewust te investeren in die relatie. Vertrouwen groeit niet vanzelf, maar door herhaald contact. Verbinding start vooral met informele contacten . Naast openklasmomenten loont het dus zeker ook om een babbel te doen tijdens breng- en haalmomenten of aan de schoolpoort. Die gesprekken verlagen de drempel om iets te vragen of te delen.” © Alexandra Bertels Marie Seghers: “Oudercontacten van 10 minuten waarbij de leraar voor 80% aan het woord is, die laten weinig ruimte voor echte dialoog.” Hoe hou je daarna ook alle ouders aan boord in je communicatie? Marie: “Door toegankelijk en op maat te communiceren. Onderzoek toont aan dat een combinatie van mondeling én schriftelijk, formeel én informeel het best werkt. Kiezen voor 1 communicatiekanaal klinkt voor scholen misschien aanlokkelijk, maar houdt te weinig rekening met de diversiteit aan ouders. Niet iedereen beschikt over sterke digitale vaardigheden, een stabiele internetverbinding of een mail‑ en agendacultuur.” “Een goede eerste stap is daarom je huidige communicatie kritisch analyseren . Welke informatie moet iedereen écht meekrijgen? Via welk kanaal gebeurt dat vandaag ? En wie bereik je daarmee wel en niet? Let ook op voor schooltaal. Begrippen als ‘differentiatie’ of ‘flexibel traject’ zeggen veel ouders weinig. De Huizen van het Nederlands bieden concrete tips om je taal in lager en secundair helder te houden.” Jan: “Op basis van die analyse kan je doordacht differentiëren . Niet alles via elk kanaal, maar wel bewust kiezen wat waarvoor werkt. Een korte herinnering via sms of WhatsApp — ‘Morgen oudercontact, vergeet je ’t niet?’ — kan soms effectiever zijn dan een lange mail. Voor gevoelige of complexe vragen blijft een gesprek de beste optie.” “Die keuzes vragen om duidelijke afspraken. Door helder te communiceren welk kanaal waarvoor dient, wanneer ouders een antwoord mogen verwachten en hoe dringende vragen verlopen, behoud je als school de regie over bereikbaarheid . Die duidelijkheid beschermt ook leraren tegen communicatiedruk, zeker bij zeer aanwezige ouders die onmiddellijk reactie verwachten.” Marie: “Omgekeerd betekent ook stilte aan de overkant niet automatisch desinteresse. Brieven kunnen zoekraken, berichten niet begrepen worden of vastlopen op digitale drempels. Soms speelt ook schaamte mee om dat toe te geven. Door je eigen aannames te bevragen — waarom reageert deze ouder niet? waar loopt iets vast? — verschuif je van oordeel naar nieuwsgierigheid.” “Onderzoek toont aan dat bijna alle ouders betrokken zijn bij de schoolloopbaan van hun kind. Denk bijvoorbeeld aan anderstalige ouders die bewust kiezen voor een Nederlandstalige school in Brussel, omdat ze hun kind meer kansen willen geven op de arbeidsmarkt. Ervan uitgaan dat ouders die je minder op school ziet , niet geïnteresseerd zijn, is dus te kort door de bocht. Vaak spelen er andere drempels: ploegenarbeid, taalbarrières, laaggeletterdheid, onzekerheid of negatieve schoolervaringen uit het verleden.” “Die waarom-vraag stellen vraagt ook om een kritische blik op je eigen referentiekader . Veel schoolse verwachtingen maken we bijvoorbeeld nooit expliciet. We verwachten dat ouders intuïtief weten hoe ze huiswerk goed opvolgen of hoe ze thuis gepast reageren op een nota in de agenda. Wie zelf in Vlaanderen naar school is gegaan, weet dat misschien. Maar niet elke ouder beschikt over die ongeschreven codes. Ook die moet je expliciteren.” Minder zichtbare ouders zijn niet per se minder betrokken Marie Seghers Expertisecentrum Taal, Diversiteit & Leren (UGent) Onderzoek hamert vooral op het belang van thuisbetrokkenheid. Waarom? Jan: “Thuisbetrokkenheid heeft de grootste positieve impact op het schoolsucces van kinderen. Onderzoek toont aan dat wat ouders thuis doen om het leren van hun kind te ondersteunen, een leerwinst van 2 tot 3 maanden kan opleveren. Die inzet weegt dus zwaarder door dan hun aanwezigheid op oudercontacten of schoolactiviteiten.” “Thuisbetrokkenheid gaat vaak over kleine, dagelijkse gewoontes: spreken over school, oprecht nieuwsgierig zijn naar wat je kind leert, een rustige werkplek creëren … Bij jonge kinderen blijkt vooral taal stimuleren erg succesvol thuis: samen veel praten, spelen met letters en cijfers, lezen, boeken in huis halen.” “Bij oudere kinderen verschuift het accent. De leerling neemt dan meer eigenaarschap op. Als ouder kan je belangstelling blijven tonen en hoge verwachtingen stellen: uitspreken dat je vertrouwen hebt in de capaciteiten van je kind en positieve feedback geven. ‘Ik zie dat je echt je best doet’ geeft een heel andere boodschap dan ‘Zie maar dat je het goed doet’.” Leraren denken misschien: daar heb ik weinig vat op? Marie: “Toch wel. Leraren kunnen veel in gang zetten door te tonen hoe je het kan doen. Tijdens openklasmomenten zien ouders hoe jij met je leerlingen tot leren komt: oogcontact maken, hardop denken, vragen stellen, herhalen, spreekkansen geven, bemoedigend knikken, enzovoort. Ze stelen met hun ogen van een onderwijsprofessional en nemen die inzichten mee naar huis. Modelleren is een sterke werkvorm in de samenwerking met ouders, omdat die niet belerend overkomt.” “Ook kleine impulsen helpen. Iets meegeven dat thuis een gesprek opent. Een stickertje op een kleuterhand, bijvoorbeeld, zal wellicht de vraag uitlokken: ‘Wat heb je daar?’ Of een lijstje met concrete vragen die ouders kunnen stellen. Tijdens het koken: ‘Kan jij 3 lepels toevoegen?’ Zo kan je tellen oefenen. Of ’s avonds: ‘Hoe voelde je je tijdens de speeltijd?’ Zo leert een kind ook emoties benoemen. Hou bij je verwachtingen van wat gezinnen thuis doen wel rekening met hun draagkracht, anders vergroot je de kloof.” En de klassieker: huiswerk. Wat verwacht je daar wel en niet van ouders? Jan: “Ouders zijn geen didactisch geschoolde leraren. Toch schieten ze – met de beste bedoelingen – vaak in die rol: ze zitten mee naast hun kind, leggen uit, verbeteren. Alleen werkt die sturing vaak averechts: ze kan de druk op het kind verhogen en het leren net belemmeren. Benoem dat ook. Huiswerk dient net om te zien wat een leerling zelfstandig kan. Zelfs verlof nemen om mee te studeren? Liever niet.” “Het vergroot bovendien de kloof tussen wie wel en wie niet die ondersteuning krijgt. Maak als school duidelijk wat je verwacht en neem ouders daarin mee. Wat volgens onderzoek wél helpt: ouders die indirect helpen bij huiswerk. Niet mee in de oefening duiken, maar interesse tonen, aanmoedigen om vol te houden, zorgen voor ontspanning … En loopt het vast? Dan is een seintje aan de leraar waardevoller dan het antwoord voorzeggen.” © Alexandra Bertels Jan De Mets: “Niet elke ouder beschikt over sterke digitale vaardigheden, een stabiele internetverbinding of een mail‑ en agendacultuur.” Wat als de thuissituatie uitdagingen met zich meebrengt die de draagkracht van de school overstijgen? Marie: “Scholen zijn geen eilanden. Ze hoeven het niet alleen te doen en winnen net aan kracht door samen te werken. Onderzoek toont aan dat sterke praktijken vaak steunen op externe partners : LIGO voor taal- en digitale vaardigheden , bibliotheken voor voorleesinitiatieven, het Huis van het Kind voor opvoedingsondersteuning.” “Ook brugfiguren, CLB-medewerkers of een OCMW dat op school zitdagen organiseert, maken het verschil. Als school kan je een ontmoetingsplek zijn die die partners zichtbaar maakt. Een belangrijke nuance: samenwerken met externen is niet hetzelfde als blindelings dingen uit handen geven. Je wil niet dat een brugfiguur het gesprek met anderstalige ouders helemaal van je overneemt, wél dat die expertise verankerd raakt in je werking.” Kan je ook ouders inschakelen om andere ouders te versterken? Jan: “Zeker. Ouders zijn vaak elkaars eerste hulplijn. Klasouders, ouderambassadeurs of buddy’s maken dat concreet: ze gidsen elkaar, gaan samen naar een oudercontact, leggen uit hoe een platform werkt. Dat verlaagt drempels , zeker voor wie een klein netwerk heeft.” “Als leraar kan je ouders actief met elkaar verbinden . Denk aan een infoavond in een zaal met 100 stoelen. Ouders zitten daar vaak wat op zichzelf; het vergt lef om in zo’n setting zelf contact te leggen. Tot de leraar zegt: ‘Mevrouw, mag ik u even voorstellen aan de mama van Rinus? Jullie zonen spelen vaak samen.’ Ook tijdens breng- en haalmomenten of wachtmomenten bij oudercontacten kunnen leraren zulke bruggen bouwen.” De ene leraar is natuurlijk de andere niet. Hoe voorkom je een wildgroei aan verwachtingen naar ouders toe? Marie: “Een gedragen visie zorgt voor continuïteit, ook wanneer leraren of directies wisselen. Leraren zijn van nature vaak doeners. Dat is een sterkte: acties brengen dingen in beweging. Maar pas wanneer je ze koppelt aan duidelijke doelen , haal je er op lange termijn meer uit. Daar samen over nadenken, met verschillende stemmen aan tafel — ook de kritische — is de eerste stap. Met de zelfscan die we ontwikkelden bij de leidraad ‘Samenwerken met ouders’ kunnen scholen hun sterke punten én groeikansen in kaart brengen. Zo werk je gericht aan acties en beleid.” “ Leraren leren nog altijd het meest van elkaar . Hoe ga jij daarmee om? Door tijdens personeelsvergaderingen ruimte te maken voor casusbesprekingen werk je tegelijk aan professionalisering én timmer je aan een gedeelde visie. Of steel met je ogen in een andere school. Hoe brengt dit team de verwachtingen rond thuisbetrokkenheid in kaart ? Wanneer doen ze aan huisbezoeken? En zorgde de invoer van KOM-gesprekken voor betere relaties?” Jan: “Het loont ook om ouders doelgericht te bevragen : wat willen zij écht? Dat was de centrale vraag in een enquête van Hotelschool Gent . Op basis van de reacties ontstond een ouderweek, waarin (groot)ouders werden uitgenodigd om praktijklessen bij te wonen, schoon . Al zit een sterke samenwerking met ouders nooit in één enkel moment, maar in wat je elke dag doet. In hoe je luistert, communiceert en naar elkaar kijkt. Niet als buitenstaander, maar als partner met een gedeeld doel voor ogen.” Hoe je samenwerken met ouders effectief vormgeeft, lees je in de leidraad ‘Samenwerken met ouders’ die Jan De Mets, Iris Vandevelde, Marie Seghers, Wendelien Vantieghem (UGent), Annelies Jehoul en Mariet Schiepers (KU Leuven) ontwikkelden voor Leerpunt. Gebruik ook de bijbehorende zelfscan. Het bericht “Samenwerken met ouders begint lang vóór het oudercontact” verscheen eerst op Klasse .

8 May 2026

Klasse Vlaanderen

Posters voor een warme school waar iedereen kan groeien

Vertel jij aan collega’s, leerlingen en ouders dat iedereen in jouw school kan groeien? Met deze 3 vrolijke posters voor een warme school maak je die boodschap snel zichtbaar. Print de reeks en hang ze op in je school of klas. Hang deze kleurrijke posters op in je school of klas: Download hier de printbare posters (A4/PDF) – Poster ‘ Ook jouw plek is hier ‘ – Poster ‘ Leren is … vallen, opstaan en blijven gaan ‘ – Poster ‘ Elke dag een beetje beter ‘. Welke boodschap zit er achter elke poster? Laat collega’s leerlingen en ouders weten dat iedereen welkom is op je school en daar zichzelf mag zijn met de boodschap ‘Ook jouw plek is hier’ . Vertel dat leren stapsgewijs lukt voor iedereen met de juiste groeigerichte mindset met de boodschap ‘Leren is … vallen, opstaan en blijven gaan’ . Benadruk je hoge verwachtingen voor iedereen met de boodschap ‘Elke dag een beetje beter’ . Het bericht Posters voor een warme school waar iedereen kan groeien verscheen eerst op Klasse .

7 May 2026

Klasse Vlaanderen

Zinvol huiswerk in het secundair

Het Gymnasion worstelt om leerlingen te motiveren voor huiswerk. Ze hervormden hun huiswerkbeleid vanuit de vraag: hoe kunnen alle leerlingen het maximale halen uit zinvol huiswerk in het secundair? Het Gymnasion op Linkeroever in Antwerpen, een secundaire school met een divers publiek, zoekt hoe ze leerlingen en ouders kunnen motiveren voor zinvol huiswerk. “Huiswerk creëert fundamentele ongelijkheid”, antwoordt directeur Suzzy Van Laer gedecideerd op de vraag waarom zij hun huiswerkbeleid 5 jaar geleden omgooiden. “Een deel van onze leerlingen heeft thuis te weinig ondersteuning of te veel chaos om zich te focussen op huiswerk. Leerlingen hebben niet altijd een rustige plek, moeten koken voor broertjes en zusjes, of ouders zijn er door een extra avondjob niet om huiswerk te stimuleren of te controleren.” “En een deel van onze ouders schiet dan weer door naar de andere kant, door zelf een boekbespreking, samenvatting of presentatie voor hun kind te maken. Dat ontneemt leerlingen evengoed kansen.” “De komst van artificiële intelligentie stimuleert ons ook om zinvol huiswerk om te denken in het secundair. En bovendien voelen leraren en jongeren zich overbelast: 32 uur les, vervoer en huiswerk, samen goed voor een schoolweek van 40 uur. Terwijl hobby’s ook belangrijk zijn voor persoonlijke ontwikkeling, om doorzettingsvermogen en discipline te kweken. Want wees gerust: op school komen ze te laat, maar op de voetbaltraining nooit.” © Katrijn Van Giel Suzzy Van Laer: “Huiswerk mag bij ons nooit nieuwe leerstof zijn.” Zinvol huiswerk Toen Suzzy huiswerk anders wilde aanpakken, botste ze initieel op weerstand in haar team. “Dat is normaal, want we zijn in Vlaanderen gewoon om veel huiswerk te geven en denken er niet altijd over na welk huiswerk zinvol is in het secundair. Ook bij ons leeft de idee dat een goede leraar punten verzamelt met veel toetsen en huiswerk. Een vol puntenboek staat gelijk aan goed bezig zijn.” “Leraren worstelen ook met tijd om de vakinhoud grondig te behandelen, naast ICT- en sociale vaardigheden, duurzaamheid, burgerschap of ondernemerszin. Dan is de verleiding groot om je lestijd te verlengen met huiswerk. En dan wordt de kloof dieper tussen wie thuis hulp krijgt en wie in zijn eentje de klus klaart. Terwijl we iedereen de kans willen geven om goed te scoren op huiswerk.” “De doelstelling van huiswerk is niet nieuwe leerstof aanreiken . Thuis verder oefenen, actief verwerken en herhalen wat je in de klas zag, dat wel uiteraard. Huiswerk is een krachtig wapen in de strijd tegen de vergeetcurve.” “We stimuleren collega’s om te reflecteren : is het huiswerk zinvol voor je vak, vergroot het de kloof tussen leerlingen niet, draagt het bij aan de leerdoelen? Voorbeelden van zinvol huiswerk in het secundair: notities structuren met de Cornell-methode, via een samenvatting, mindmap of begrippenlijsten. Een les voorbereiden door een lange tekst op voorhand te lezen of een video als preteaching te bekijken. Een boek lezen, oefeningen afwerken die in de klas gestart zijn. En heel populair: een spiekbrief maken voor een toets op een post-it .” We willen iedereen de kans geven om goed te scoren op huiswerk Suzzy Van Laer directeur Huiswerkklas Het Gymnasion heeft al 8 jaar een huiswerkklas. “Elke dinsdag zijn onze leerlingen en leraren het zevende en achtste uur lesvrij . Tijdens die 2 uren kunnen leerlingen op school terecht voor de huiswerkklas, een inhaaltoets, een reflectiewandeling of een strafstudie. Ze moeten beschikbaar zijn en mogen op dat moment geen hobby’s of medische afspraken plannen. Hetzelfde voor de leraren: zij begeleiden die initiatieven, vergaderen of volgen inspiratiesessies.” “Wie 3 keer niet in orde is met huiswerk, kan door de klassenraad doorverwezen worden naar de huiswerkklas. Dat zijn vaak leerlingen die de extra oefening nodig hebben, maar hun huiswerk niet maken of deadlines missen omdat hun executieve functies nog onvoldoende ontwikkeld zijn. Onder dat mom nodigen we ook leerlingen uit van wie we weten dat ze thuis niet de ideale omstandigheden en ondersteuning hebben. En sommige leerlingen of ouders schrijven zich spontaan in.” “Zo vullen we elke dinsdag 3 lokalen met ongeveer 25 van onze 623 leerlingen. Ze werken in de huiswerkklas onder begeleiding aan hun huiswerktaken. Leraren zorgen voor rust , maar leerstrategieën aanleren behoort niet tot hun taak. Dat gebeurt in het mentoruur.” © Katrijn Van Giel Vanessa Verhelst: “Mijn rol? Zorgen dat leerlingen in alle rust huiswerk kunnen maken.” Geen straf Vanessa Verhelst, leraar geschiedenis, is een van de vaste leraren die al van bij de start de huiswerkklas begeleidt. “Ik ben nogal streng en krijg de leerlingen gemakkelijk stil. Dat is mijn belangrijkste rol hier: zorgen dat ze in alle rust huiswerk kunnen maken. Dat is het vaste huiswerk of extra remediëring voor een bepaald vak. Ze moeten de 2 lesuren uitzitten. Als ze klaar zijn met al hun taken, lezen ze een boek . Mijn rol beperkt zich tot een opdracht of een woord verduidelijken. Of uitzonderlijk zal ik een leerling even overhoren.” “De huiswerkklas is niet bedoeld als straf . De leerlingen met een strafstudie zitten daarom bewust in een ander lokaal. Uiteraard ervaren sommige leerlingen een doorverwijzing naar de huiswerkklas voor een rapportperiode door de klassenraad als een straf. Maar er zijn ook leerlingen die spontaan komen om zich te kunnen concentreren, of als hun lief een strafstudie heeft, of ze toch moeten wachten tot ze opgepikt worden aan de schoolpoort.” “Een sluitend systeem is het nog niet. We zouden het liefst meer leerlingen in onze huiswerkklas hebben. Een vierde van de leerlingen komt niet en sommige ouders reageren zelfs niet op onze mails daarover. En voor de administratie zijn we ook nog zoekende.” “Na 6 weken merken we bij meer dan de helft van de leerlingen rendement ”, stipt Suzzy aan. “Ze zijn beter voorbereid, halen betere resultaten, krijgen minder negatieve feedback en meer positieve commentaar waardoor ze in een opwaartse spiraal komen. Op elke klassenraad bekijken we welke leerling in de huiswerkklas moet blijven en wie we er met een gerust hart uit kan.” Met een snelle nul geef je de regie uit handen Suzzy Van Laer directeur Huiswerk zonder punten Suzzy: “Onze visie verandert gaandeweg en is verre van perfect. Nog niet alle collega’s zijn 100% mee, maar het verhaal is ook groot. Je start met huiswerk en belandt bij formatief handelen , evalueren, effectieve didactiek , feedback en ouders. We volgen een traject en doken in onderzoek van John Hattie, Tim Surma, Pedro De Bruyckere en Paul Kirschner.” “Zo staat huiswerk bij ons niet altijd op punten , want het is eerder een vorm van leerbegeleiding dan een evaluatie. Het valt onder formatief handelen: beheers je de leerstof of is er nog een ingreep nodig voor de evaluatie, de toets? Wie zijn huiswerk keer op keer niet afgeeft, zelfs na herhaaldelijke ondersteuning vanuit de school, krijgt wel een nul. Dat is een quotering op zelfregulerende vaardigheden en telt niet zwaar mee voor het jaartotaal.” “We stimuleren sterk om de gemiste huiswerktaken alsnog in de huiswerkklas te maken. Want huiswerk is een noodzakelijke stap om leerstof in te oefenen. Dus dat moét gebeuren. Met enkel die snelle nul geef je de regie uit handen en breek je het verhaal voortijdig af. Wat is je volgende stap als leraar dan nog in het leerproces? ” © Katrijn Van Giel Vanessa Verhelst: “In de huiswerkklas merk ik hoe moeilijk leerlingen zich kunnen concentreren. Ze zijn snel afgeleid.” Geen losse flodder Suzzy: “We steken ook een leerlijn in ons huiswerk. In de eerste graad is het doel van huiswerk verder inoefenen en automatiseren van leerstof en alle leerlingen een succeservaring geven. In de tweede graad is het huiswerk meer gericht op kennis verwerken, maar afgebakend en leraargestuurd. In de derde graad ligt de focus op langlopende opdrachten en onderzoeksvaardigheden.” “Als huiswerk geen losse flodder is, voelt verbeterwerk ook niet als een last. Een voorbeeld: ‘5 weken geleden zagen we de eerstegraadsvergelijking, volgende week starten we met de tweedegraadsvergelijking. Na de startoefeningen in de klas kunnen sommigen onder jullie herhalingsoefeningen gebruiken als extra opfrissing.’ Zo wordt je huiswerk een startpunt voor de nieuwe leerstof. Een onderdeel van anders en slimmer lesgeven.” Snel afgeleid Leraar Vanessa denkt bewust na over het huiswerk dat ze geeft: “Ik geef les in de derde graad en daar focus ik op uitdieping van de leerstof die we in de klas zien. Thuis verwerken ze theorie in oefeningen, leggen linken tussen geschiedenis en actualiteit, werken met bronnen omdat daar in de les te weinig tijd voor is. Ik probeer bewust geen nieuwe leerstof naar thuis over te hevelen, maar het blijft een moeilijk evenwicht. Alle leerstof uit de leerplannen zien in de klas is een uitdaging.” “In de huiswerkklas merk ik zo hard hoe moeilijk leerlingen zich kunnen concentreren. Ze zijn snel afgeleid en 2 lesuren focussen op huiswerk is niet evident. Gelukkig – en uiteraard – zie ik veel verschil tussen de jongste en oudste leerlingen.” “Huiswerk is voor een deel van onze leerlingen extra belangrijk. Niet iedereen krijgt thuis intellectuele prikkels om iets te lezen of de actualiteit te bespreken aan tafel. Jongeren moeten zeker nog tijd hebben voor ontspanning, maar dat is ook op straat of op TikTok rondhangen. Focus op huiswerk is lastig in deze afleidende digitale maatschappij.” Toekomst Suzzy: “Onze visie is zeker nog niet af en we zijn nog zoekende. Hoe geven we leerlingen genoeg kansen om huiswerk te maken, maar ook niet eindeloos, en waar ligt die grens? Hoe trekken we meer collega’s in het bad? We hopen in de toekomst ook gedifferentieerd huiswerk aan te bieden afgestemd op de leerlingen die het nodig hebben. Verder willen we onze toolbox aan zinvolle huiswerkvormen vergroten.” “Huiswerk hoeft geen routineklus te zijn. Met doordachte keuzes, afgestemd op je leerlingen, kan het een krachtige hefboom zijn voor leren. Maar dan moet het starten waar het hoort: in de klas, door goed les te geven en te monitoren wat elk kind nodig heeft en kan.” Het bericht Zinvol huiswerk in het secundair verscheen eerst op Klasse .

5 May 2026

Klasse Vlaanderen

IELS 2025: sterktes, maar ook ruimte voor verbetering

Waar staan 5-jarige kleuters? De resultaten van het IELS-onderzoek schommelen: sterk in emoties benoemen, gemiddeld voor executieve functies, groeimarge voor beginnende wiskunde en taal. Katrijn Denies: “Het internationale IELS-onderzoek geeft een unieke en brede kijk in onze kleuterklassen. Het vertelt ons voor het eerst waar 5-jarige kinderen staan in beginnende wiskunde, taal, executieve functies en sociaal-emotioneel leren. Om dat te meten trok een begeleider mee de klas in, nam deel aan de dagstart en gidste kleuters daarna individueel naar speelse opdrachten op een tablet. In totaal bezochten we in Vlaanderen 200 scholen en 2400 kleuters.” “Het onderzoek is een snapshot dat kinderen onderweg toont, niet aan de eindstreep van het kleuteronderwijs. Dat we informatie krijgen uit het kleuteronderwijs van 7 andere landen is een mooie bijvangst. En ook al zijn onderwijssystemen moeilijk te vergelijken – Vlaamse kinderen verzamelen al vanaf 2,5 jaar op school, sommige andere landen bieden stimulerende initiatieven aan maar kleven daar niet de noemer school op – toch geeft het perspectief en inspiratie . In Engeland loopt het over de hele lijn goed. Hoe creëren ze daar die sterke springplank voor alle kleuters?” Een duik in de resultaten: hoe taalvaardig zijn onze kleuters? Katrijn Denies: “Sommige kleuters doen het nog niet zo goed. 90% van de kinderen kent eenvoudige termen zoals ‘fiets’ of ‘bloem’. Eerlijk: eigenlijk willen we dat álle 5-jarigen die basiswoorden stilaan onder de knie hebben. Bij de moeilijkste woordenschat zakt de kennis naar 30%. Losse zinnen begrijpen zonder complexe grammaticale structuren, dat valt nog mee. Complexere zinnen of vragen beantwoorden uit luisterverhalen, niet. Minder dan de helft van de kleuters slaagt daarin. Nochtans lezen Vlaamse kleuterleraren vaak voor.” “Leraren zetten ook in op klankbegrip . En kleuters herkennen die klanken redelijk goed. Toch hoorden veel 5-jarigen het in Keulen donderen bij de term ‘klank’. We moesten dus eerst wat uitleg geven. Een pleidooi om schooltaalwoorden consequent te gebruiken, in alle domeinen.” Wat is het beeld voor beginnende wiskunde? Katrijn Denies: “10% van de kleuters struikelt bij het tellen tot 5 en kan het enige cijfer op een tekening nog niet onderscheiden. 30% slaagt er niet in om eenvoudige patronen af te werken of aan te wijzen wie als vierde in de rij staat. Lukt dat tegen het einde van de derde kleuterklas wel? Dat kunnen we niet uit IELS halen. We kunnen alleen vaststellen dat 5-jarige kleuters in andere landen verder staan.” “Als de opdrachten abstracter worden, gaat het nog vaker mis. Nu: dat kleuters zomaar het correcte antwoord geven op 3 x 4 mogen we nog niet verwachten. Dat doen we absoluut niet. Werken met concrete situaties en hoeveelheden tot 10 blijft de richtlijn bij de nieuwe minimumdoelen . Ook al mikken die terecht net wat hoger voor beginnende wiskunde en mag je als school nog een stapje verder gaan.” Hoe doen kleuters het op executieve functies en sociaal-emotioneel leren? Katrijn Denies: “Prima! Vlaamse kleuterleraren besteden daar veel aandacht aan. Ze begeleiden kleuters tijdens overgangen in de daglijn en leren hun strategieën zoals ‘stop-denk-doe’ aan. Daarnaast leggen ze kinderen geregeld complexere instructies en opdrachten voor. Dat loont zeker. Op de 3 executieve functies – impulscontrole, werkgeheugen en mentale flexibiliteit – scoren onze kleuters even sterk als hun leeftijdsgenoten in andere landen.” “Ons beste resultaat op IELS? Vlaamse kleuters herkennen en benoemen ontzettend vlot emoties . Zelfs als die afdwalen van het logische script. In een van de verhalen werd een meisje plots droevig op haar eigen verjaardagsfeest. Toch laten kinderen zich niet vangen door de verwachting dat zo’n feestje in principe alleen maar lachende gezichtjes oplevert. Daarnaast kunnen ze zich prima inleven in de gevoelens van anderen.” “3 onderdelen van sociaal-emotioneel leren werden niet gemeten bij kleuters maar bevraagd bij leraren. Die schatten hun kleuters bijvoorbeeld in op vertrouwen en gedrag . We weten dat Vlaamse leraren gemiddeld strenger zijn op storend gedrag dan hun Nederlandse collega’s. Toch is het signaal zorgelijk: ongeveer 10% van de kleuters valt heel vaak klasgenoten lastig en vraagt voortdurend negatieve aandacht. Dat maakt lesgeven zwaar.” “Executieve functies en sociaal-emotionele vaardigheden zijn geweldige grondstoffen” Katrijn Denies – onderwijsonderzoeker KU Leuven Houden de scores op die 4 domeinen onderling verband? Katrijn Denies: “Ja. Executieve functies en sociaal-emotionele vaardigheden zijn onderliggend aan alles . Zonder die bagage kunnen kinderen geen deel uitmaken van een groep en komen ze niet tot leren in onder meer taal en wiskunde. Het zijn geweldige grondstoffen waar Vlaamse kleuterleraren terecht op inzetten.” “Meer aandacht voor taal en beginnende wiskunde mag niet ten koste gaan van van executieve functies en emoties. Want dan pleeg je roofbouw op je sterktes. De sleutel zit in de integratie van die domeinen met taal, beginnende wiskunde en wetenschap.” Zijn er grote onderlinge verschillen tussen kinderen en scholen? Katrijn Denies: “Om dat te meten, zetten we 100 kinderen op een rij en bekijken we het scoreverschil tussen de kleuter op de tiende en negentigste plek. Die spreiding is in Vlaanderen relatief klein. Weinig kleuters zakken helemaal door de vloer, maar we missen ook echte uitschieters. Doen scholen ertoe? Zeker, ze verklaren 20% tot 25% van de scoreverschillen. Dat is lager dan in de meeste andere landen: IELS geeft geen bewijs dat bepaalde Vlaamse scholen ver vooroplopen en andere zwaar achterophinken.” “Als we onderzoeken welke kind-factoren de ontwikkeling vertragen, zien we klassiekers zoals sociaaleconomische kwetsbaarheid, weinig kinderboeken in huis, andere thuistaal en late geboortemaanden. Leraren geven aan dat meisjes het beter doen op sociaal-emotionele aspecten. Dat is geen perceptie, maar strookt met hun normale ontwikkeling. Op taal en wiskunde doen 5-jarige jongens en meisjes het even goed.” “In vergelijking met andere landen weegt de sociaaleconomische status op die prille leeftijd heel zwaar door. Dat heeft verregaande consequenties. Kleuterleraren botsen bij kinderen uit kansarmere gezinnen op de grenzen van ons onderwijssysteem. Raakt dat hun academisch optimisme ? Voor 30% van de kleuters zien ze het in elk geval somber in: succes op school wordt moeilijk.” “Kleuterleraren benoemen daarmee de harde feiten uit ons schoolsysteem. Ze weten wie vaker vroegtijdig uitvalt en kennen de patronen. Maar als je vanuit die vrees voor een achterstand bepaalde kleuters ‘beschermt’ door ze over te slaan bij doordenkvragen, krijgen ze niet de kans om hun moeilijke start te ontstijgen. Voor alle duidelijkheid: onderwijs is maar een radertje en kan die grote sociale kloof niet alleen verkleinen. Daarvoor moet de hele samenleving aan zet.” “Warme relaties en rijk aangeklede klaslokalen mogen nooit uit kleuteronderwijs verdwijnen” Katrijn Denies – onderwijsonderzoeker KU Leuven IELS opende de deuren van de kleuterklas. Wat moeten kleuterleraren vooral blijven doen? En wat vraagt extra aandacht? Katrijn Denies: “Als je het mij vraagt, verdienen kleuterleraren allemaal een grote ruiker bloemen en vooral bakken steun. Ze werken met hart en ziel , geven kleuters warmte en kleden hun klaslokalen rijk aan met authentieke materialen. Dat is zo krachtig, dat mag nooit uit ons kleuteronderwijs verdwijnen. Bovendien kennen leraren hun vak: ze weten wat rijke taalinteracties en executieve functies zijn.” “Het stapje vooruit? Hoge verwachtingen aanhouden en de kennis die ze hebben net iets doelbewuster inzetten. Dat vraagt rust en meer mensen in de kleuterklas. Want simpel is het niet: een klas vol piepjonge kinderen spelend aan het leren houden, terwijl eentje zijn vinger pijn doet en een andere naar het toilet moet. Bovendien signaleren directeurs in IELS dat ze moeilijk vervangingen en onderwijsprofessionals met het juiste schooldiploma vinden.” “Misschien kan Engeland inspireren? Daar leidt een leraar de klas terwijl een ‘teacher assistant’ ondersteunt. Die doet veel meer dan jassen ritsen. Die werkt mee aan rijke interacties en remedieert kinderen die wat extra tijd nodig hebben.” IELS keek ook naar de samenwerking met ouders. Moeten zij meer mee in het bad? Katrijn Denies: “Ouders zijn welkom op school, vertellen directeurs in IELS. Maar we nodigen ze minder vaak uit om bij te dragen in de klas. Bovendien geven Vlaamse ouders aan dat ze hun kinderen weinig prikkelen in het dagelijkse leven. Tijdgebrek speelt wellicht: tweeverdieners en alleenstaande ouders die hard werken om rond te komen. Maar misschien willen ze ook geen fouten maken en laten ze die prikkels liever over aan school.” “Ouders moeten het leren zeker niet overnemen. Maar werk je in de klas rond ruimte? Tip dan dat ze in de bibliotheek nog een plank vol boeken over dat thema vinden, want thuis voorlezen is belangrijk. Als kleuters de letter ‘p’ leerden, kunnen ouders hun kind vragen om dieren op te sommen die starten met diezelfde letter of misschien zelfs een woordketting vormen.” “En als je in de klas koeken bakte, kan je ouders laten weten dat hun kleuter kan vertellen hoe je suiker weegt. Zo dragen we allemaal samen ons steentje bij in de ontwikkeling en het welzijn van ons grootste kapitaal : onze kleuters.” IELS staat voor ‘International Early Learning and Child Well-being Study’. Het is een vergelijkend onderzoek van de OESO bij 5‑jarigen op 4 domeinen. In Vlaanderen werd het uitgevoerd door KU Leuven en Hogeschool PXL. Lees het volledige rapport op Onderwijs Vlaanderen . Het bericht IELS 2025: sterktes, maar ook ruimte voor verbetering verscheen eerst op Klasse .

5 May 2026

Klasse Vlaanderen

Welke leerstrategieën hebben écht effect?

Welke leerstrategieën werken voor je leerlingen? Expert Tim Surma zet inzichten rond effectieve didactiek op een rijtje. Hij tipt hoe jij als leraar strategieën met effect inzet tijdens je les én hoe je leerlingen die thuis laat toepassen bij het studeren. Tim Surma, hoofd Expertisecentrum Onderwijs en Leren, Thomas More-Hogeschool Antwerpen : “Gespreid oefenen, actief verwerken, toetsing, de kracht van voorbeelden, scaffolding en meer: uit onderzoek weten we welke leerstrategieën werken. Dus is het belangrijk dat je als leraar die effectieve leerstrategieën inzet in de klas. En je leerlingen ook op weg helpt om efficiënt te studeren. Niet met een apart vak ‘leren leren’ , maar door leerstrategieën doelbewust en expliciet in te zetten tijdens je les.” “Je opdracht stopt met andere woorden niet als je de leerstof kent en helder overbrengt. Je moet je leerlingen ook begeleiden bij de verwerking ervan. Dat vraagt zeker tijd. Maar een les opnieuw moeten geven omdat de leerstof veel te ver zit: dát is pas tijdverlies. Welke leerstrategieën hebben echt effect? Toon je leerlingen wat kan werken, en waarom. En praat over leerstrategieën. Hoe bereidde jij de toets voor? Bij wie haalde dat wat uit, bij wie niet? Hoe komt dat, en wat kunnen we anders aanpakken? Zodat elke leerling beseft: leren kost zweet.” 1. Spreid leerstof inoefenen in de tijd De leerlingen van leraar Tim Vervaet kennen de maaltafels door en door. Zijn geheim? Tim spreidt oefeningen en huistaken heel bewust in de tijd . Plus: herhalen, herhalen, herhalen. Waarom je moet vergeten vóór je kan leren en waarom je leerlingen meer leerwinst boeken in 4 keer 15 minuten dan in 1 uur? Expert Tim Surma vertelt het in deze video . 2. Verwerk leerstof actief Zweten om te weten: leraar Li’s Verheyden zet haar leerlingen actief aan het werk . Met Cornell-samenvattingen en structuur-post-its. Zelfs tekenen tijdens de les economie. En een heuse structuurcross . Actief verwerken is heel wat anders dan bewegen, weet Tine Hoof, begeleider professionele ontwikkeling en onderzoeker aan Expertisecentrum Onderwijs en Leren, Thomas More. Waarom leren lastig moet zijn en hoe we nieuwe informatie precies verankeren in ons geheugen: Tine legt uit . 3. Gebruik toetsing als leer- en oefenstrategie Leraar Christophe Keyenberg toetst elke les : “Niet om te evalueren, wel als leermoment.” Met 5 minuten voorkennis activeren neemt Christophe telkens een vliegende start. En ook Li’s ontdekt de kracht van oefentoetsen in deze video . Verder: 3 x 4 slimme werkvormen om te achterhalen waar je leerlingen staan. En expert Tine Hoof legt uit waarom je van elke toets slimmer wordt . 4. Gebruik voorbeelden en bied ondersteuning Leerstrategieën kan je al in de kleuterklas inzetten. Leraar Els biedt haar kleuters de juiste voorbeelden om verder te raken. En zodra dat kan, bouwt ze die opstapjes af. Waarom je van spieken sneller leert en waarom uitgewerkte voorbeelden zo nuttig zijn als instructie: expert Tine Hoof legt uit hoe scaffolding precies werkt . En nu jij ! Welke leerstrategie zet je wanneer in om het leerproces van je leerlingen een boost te geven? Leg deze fiches naast je lesvoorbereiding of haal ze boven op je vakgroepoverleg om samen met collega’s je lessen beter te maken. Ook handig om je team te overtuigen: de videoreeks waarin Tine Hoof en Tim Surma enkele effectieve leerstrategieën gebald toelichten . Graag meer? Download gratis ‘Wijze lessen. 12 bouwstenen voor effectieve didactiek’ . Het bericht Welke leerstrategieën hebben écht effect? verscheen eerst op Klasse .

4 May 2026

Klasse Vlaanderen

De taalbadklas: “Een veilige omgeving om Nederlands te leren”

4 halve dagen per week dompelt juf Katleen anderstalige nieuwkomers onder in haar taalbadklas, waar ze op eigen tempo Nederlands leren. “Na een jaar sluiten ze met een rugzak vol woordenschat en zelfvertrouwen weer voltijds aan bij hun klas.” © Alexandra Bertels Katleen: “Dat is de kracht van de taalbadklas. Ik heb de tijd om kinderen heel goed te leren kennen.” “‘Jij bent vijf-vier jaren oud! Mijn oma is maar vijf-nul . Jij bent al veel oud !’” citeert Katleen Agneessens van Stedelijke Basisschool ’t Groentje in Vilvoorde lachend haar taalbadkinderen. Na 23 jaar waagde de kleuterleraar zich aan een carrièreswitch . Ze beklaagde het zich nog geen moment: “Hier was ik al heel lang naar op zoek, zonder dat ik het besefte.” Vilvoorde pioniert al 7 jaar met de taalbadklas. Wat was de motivatie om ermee te starten? Katleen: “Door onze ligging in de Brusselse rand hebben we een grote instroom van anderstalige kinderen, zowel Franstalige als kinderen die recent migreerden. Jonge kleuters pikken de taal grotendeels spelenderwijs op, maar bij iets oudere kinderen merkten we hoe belangrijk voldoende taalbeheersing is om tot leren te kunnen komen.” “Daarom kiezen we vanaf de derde kleuterklas voor een intensief taalbad van 4 halve dagen per week. Anderstalige kinderen uit onze verschillende scholen krijgen zo de kans om op eigen tempo Nederlands te leren. Na een jaar sluiten ze met een rugzak vol woordenschat en zelfvertrouwen weer voltijds aan bij hun klas.” Hoe ziet je klas taalbadleerlingen eruit? Katleen: “In mijn klas zitten kinderen van hoogopgeleide magistraten die in Brussel werken naast kinderen die voor bommen gevlucht zijn en voor wie Nederlands soms de derde of vierde taal is. Ze komen uit de Brusselse rand, Marokko, Armenië, Somalië, Bulgarije, Brazilië, Macedonië, Jordanië, Turkije en Ghana.” “We kloppen af op maximaal 13 leerlingen per groep . In de voormiddag zie ik de leerlingen van het vierde leerjaar tot het zesde, in de namiddag die van de derde kleuterklas tot het derde leerjaar. ’s Middags reis ik met de bus heel Vilvoorde rond om de eerste groep af te zetten en de andere op te pikken.” “De samenstelling wisselt regelmatig . Gevluchte kinderen stromen op diverse momenten in. Soms verdwijnen ze ook plots. Na de vakantie keerde een van mijn meisjes niet meer terug van een bezoek aan haar stervende oma. Ik stuurde mailtjes, maar kreeg geen antwoord. Via via kreeg ik het telefoonnummer van haar oudere zus en onlangs kreeg ik eindelijk een verlossend bericht: ‘Hallo juffrouw Caitlin, het gaat goed met ons, de situatie in het Midden-Oosten is een beetje nerveus. M. stuurt u groeten!’” Hoe leer je iemand Nederlands als die net gevlucht is uit een conflictgebied? “Ik heb toen sterk geïnvesteerd in regelmatig overleg met zijn vader. Het moest duidelijk zijn dat zijn gedrag niet kon. Gaandeweg won ik het vertrouwen van de vader en dat sijpelde door bij zijn zoon. Hij voelde dat we op dezelfde lijn stonden.” “Op het einde van het jaar kwam het er allemaal uit. In Syrië had hij 3 maanden in een kast geleefd. Zijn huis wat kapot geschoten. Op onze eindejaarsfoto hou ik mijn handen over hem. Een paar maanden eerder zou hij die zeker hebben weggeduwd. Toen ik hem onlangs tegenkwam, kreeg ik zelfs een knuffel.” “Dat is de kracht van de taalbadklas. Ik heb de tijd om kinderen heel goed te leren kennen, naar hun verhalen te luisteren en te laten zien hoe begaan ik met hen ben .” © Alexandra Bertels Katleen: “Belangrijk is dat je ouders meekrijgt. Vaak zijn ze overweldigd als je een eerste keer de taalbadklas voorstelt.” Hoe beslissen jullie welke leerlingen naar de taalbadklas gaan? Katleen: “Wij mikken tot nu toe op elk kind dat geen Nederlandstalig onderwijs genoten heeft. Belangrijk is dat je ouders meekrijgt . Stel je maar eens voor dat jij je dochter van 6 jaar ’s ochtends afzet op school. Een wildvreemde vrouw haalt haar ’s middags op met de bus en ’s avonds moet je haar op een andere plek gaan afhalen, terwijl haar zusje nog in de kleuterschool is. Ouders zijn overweldigd als we dat een eerste keer voorstellen.” “Zodra ik weet wie in aanmerking komt, krijgen ouders een mailtje met informatie. Vervolgens bel ik hen op én ga ik op huisbezoek om mezelf voor te stellen. De eerste week van september doe ik een rondje langs scholen voor een contactmoment met de leerlingen en hun ouders. Zo zien ze dat ik de klasleraar ken en dat er een sterke connectie is met hun school. Na een viertal keer raken ze meestal wel overtuigd.” Mijn eerste doel is altijd dat ze Nederlands leuk vinden Anderstalige nieuwkomers spreken nauwelijks een woord Nederlands als ze bij jou terecht komen. Hoe begin je daaraan? Katleen: “Mijn eerste doel is altijd zorgen dat ze Nederlands leuk vinden . Die kinderen moeten vaak door een rouwproces. Hun wereld verandert heel plots. Ze gingen helemaal niet naar school of ze haalden in hun Franstalige school nog 90% en kunnen ineens niks meer. Ik stel hen gerust: ‘Je mag boos zijn. Meer nog: je moet boos zijn.’” “Kinderen krijgen hier de tijd om de klik te maken naar hun nieuwe identiteit als beginnende leerder. Zodra ze die boosheid loslaten, staan ze open om de taal te leren.” Waar ligt de focus van je taalonderwijs? Katleen: “Ik stouw mijn leerlingen in de eerste plaats vol woordenschat . De taalmethodes van Matti en Mona bieden woorden aan binnen thema’s, zoals voeding, het lichaam of kleding. ‘Matti-woorden’ zijn basiswoordenschat, ‘Mona-woorden’ zijn uitbreiding. Met die combinatie kunnen ze hun plan trekken in het dagelijkse leven, les volgen en vragen stellen als het moet.” “We gebruiken die woorden zo veel mogelijk in courante situaties , simpelweg wanneer de kinderen zich moeten omkleden of hun veter los is. Ik vereenvoudig mijn taal daarbij zo weinig mogelijk. Ze hoeven echt niet elk woord te begrijpen om de boodschap mee te hebben.” “Spreekdurf kweek je ook alleen door fouten te mogen maken . Als iemand een verhaal vertelt over zijn kat, hoeft niet elke zin grammaticaal perfect te zijn. Maar ik moet wel de essentie begrijpen: dat ze met hun kat naar de dierenarts geweest zijn, omdat ze gewond was aan haar pootje. Vanuit die eerste succeservaringen, leren ze de jaren erna wel om hun zinnen te finetunen.” Je aandacht gaat dus vooral naar de mondelinge vaardigheden? Katleen: “Alles hangt samen. Een taal leer je alleen goed als je ook veel leest. Elke dag begint met een kringgesprek . Daarna leest iedereen – inclusief ikzelf – een kwartier vrij wat die wil: een boek uit ons Leespaleis bijvoorbeeld, onze klasbib, of een tekst voor school die ze moeilijk vinden. Daar kunnen ze dan vragen over stellen of een tekstje over schrijven.” “ Grammatica breng ik spontaan aan. De Matti en Mona voor kleuters gebruik ik bij de oudere kinderen voor leesbegrip en zinsontleding. Bepaalde woordsoorten zoals ‘doe-woorden’ of ‘wie-woorden’, krijgen een eigen kleur. Alle scholen gebruiken dezelfde methode, dus onze kinderen herkennen die meteen als ze er daarna les over krijgen.” © Alexandra Bertels Katleen: “Klasleraren hebben gewoon de tijd niet om zo intensief met anderstalige leerlingen te werken.” Hoe ver krijg je je leerlingen op één jaar? Katleen: “Mijn taalbadders blijven het eerste jaar na het traject vaak nog lager presteren in hun reguliere klas. Je kan op 10 maanden niet dezelfde taalbeheersing opbouwen als een moedertaalspreker. Toch is dat geen excuus om de ‘zwakke schakel’ van de klas te worden. Ik leer ze zelfredzaam te zijn door visuele hulpmiddelen of de context te gebruiken of via hun computer de betekenis of uitspraak van woorden zelf op te zoeken.” Het woord ‘taalbad’ impliceert dat je leerlingen onderdompelt in een Nederlandstalige omgeving. Jullie halen ze daar net uit weg? Katleen: “In een klas vol Nederlandstaligen gedropt worden, is helaas geen garantie om de taal te leren beheersen. Kinderen zijn ook hard voor elkaar. Bij een uitstap kreeg een van mijn leerlingen de vraag waarom ze eigenlijk mee was; ze kon toch geen Nederlands. We maakten toen in de taalbadklas samen een strip, waarmee ze haar verhaal kon vertellen aan haar klasgenoten. Ze kreeg applaus en voelde dat ze er wél bij hoorde.” “Klasleraren hebben gewoon de tijd niet om zo intensief met de anderstalige leerlingen te werken. Geef maar eens meetkunde aan een vijfde leerjaar als je de hele tijd vragen moet beantwoorden van iemand die de woorden niet begrijpt. Een anderstalig kind voelt de frustratie en houdt zich al snel gedeisd.” “Ook op andere momenten ontbreekt het hen aan durf om het woord te nemen. Daardoor raken ze geïsoleerd en leren ze ook geen taal. De taalbadklas biedt een veilige omgeving . Zo veilig dat ik ze hier soms met moeite stil krijg. Een van mijn kinderen verwoordde het ooit heel mooi: ‘Dit is niet mijn klas, maar mijn familie.’” Dreigen leerlingen in een aparte taalbadklas sociaal geïsoleerd te geraken? Katleen: “Net om dat te vermijden, komen ze maar 4 halve dagen. De rest van de tijd volgen ze les met hun eigen klas . Ik sta er ook op dat ze alle uitstappen meemaken met hun klasgenoten.” “Sociale competenties stimuleren we ook buiten de schoolmuren . Leren we over voeding, dan zoeken we het recept op van hun lievelingsgerecht. We maken een boodschappenlijst, gaan samen naar de winkel en doen daar een babbeltje over het weer. Voor belegde broodjes trekken we naar een papa met een slagerij. De hele buurt komt dan kijken hoe zijn dochter Nederlands praat, en wij gaan naar huis met 2 kilo saucissen.” © Alexandra Bertels Katleen: “De taalbadklas werkt alleen door teamwerk met klasleraren die zich mee verantwoordelijk voelen.” De verschillen tussen de leerlingen zijn soms groot. Hoe ga je daarmee om? Katleen: “Mijn ervaring als kleuteronderwijzer speelt in mijn voordeel. In een kleuterklas zijn de verschillen áltijd groot. Ik ben het dus gewoon om op zoek te gaan naar manieren om de taal van leerlingen te stimuleren en daarvoor zelf materiaal te ontwikkelen.” “Ik zet ook sterk in op zelfstandig werk. Zo kan ik op maat werken. Dat lukt omdat de klasgroep vrij klein is, maar vooral dankzij de samenwerking met de klasleraren . De taalbadklas werkt alleen dankzij het teamwerk van een groep leraren die zich samen verantwoordelijk voelt.” Hoe loopt de wisselwerking tussen jou, de klasleraren, zorgcoördinatoren, ouders en leerlingen? Katleen: “Ik probeer als ‘lijm’ te fungeren en hou de lijn met de scholen kort. Ik zie leraren aan de schoolpoort of we bellen ’s avonds om af te stemmen. Wat doen leerlingen bij mij en wat in de eigen klas? De filosofie is simpel: ze moeten altijd zinvol bezig zijn. Op mijn lesvrije woensdag bezoek ik de scholen voor een lesbezoek of overleg met de leraren, zorgcoördinatoren of ouders.” “4 keer per jaar maak ik voor elke leerling een groeiboek op over de doelen waar we rond werken. Hoe zit het met de werkhouding en de concentratie? Hoe zelfstandig is het kind? Welk type teksten kan het al lezen? Begrijpt het mondelinge instructies? Ik beschrijf welke activiteiten we gedaan hebben, aan welke woordenschat we gewerkt hebben en hoe het zit met het welbevinden. Dat groeiboek bespreek ik met de klasleraar en de ouders.” Je werkt met bijzonder kwetsbare mensen, dus je engagement gaat verder dan de schoolbel Uit onderzoek weten we hoe belangrijk de thuissituatie van kinderen is voor succes op school. Kan je daar via de taalbadklas op ingrijpen? Katleen: “We hebben vaak een verkeerd beeld van anderstalige ouders. Elke ouder wil het beste voor zijn kind, of die de taal nu machtig is of niet. Toch hoor ik vaak frustraties. Kinderen hebben ‘weer geen zwemzak bij zich’, ouders komen niet naar het oudercontact .” “Vaak worstelen ze bijvoorbeeld met het elektronisch platform van de school. Ik spreek ouders dan aan en maak een briefje met picto’s . Na een tijd komen ze spontaan met hun smartphone naar mij voor hulp. Een eerste oudercontact woon ik dikwijls bij. Ouders hebben wel vragen, maar krijgen die niet verwoord. Zo’n zetje volstaat om de volgende keer zelf iemand mee te brengen die helpt met de taal.” “Huisbezoeken versterken de vertrouwensband . Wijst de klasleraar de ouders van een leerling erop dat die in slaap valt in de les tijdens de ramadan, dan valt dat op een koude steen. Gelukkig ken ik de ouders goed genoeg om een tegenvoorstel te doen: ‘Wat denken ze van de kinderramadan: vasten op woensdag, vrijdag en in het weekend?’ Daar staan ze voor open. Die taken staan niet in mijn functieomschrijving, maar ze leveren zoveel op voor mijn werk in de klas.” Wat voor leraar is geknipt voor de taalbadklas? Katleen: “Boven alles moet je er als leraar heel bewust voor kiezen. Verplicht je iemand, dan loopt het mis. Je werkt met bijzonder kwetsbare mensen, dus je engagement gaat verder dan de schoolbel. Voor een jonge leraar met een gezin is dat niet altijd evident.” “ Ervaring is een troef. Dan kan je schuifjes opentrekken om intensief te differentiëren. Ook bagage op het vlak van culturele verschillen is een plus. Benoemde ik als kleuterleraar in een les over kledij een bh, dan toonde ik mijn bh-bandje. Dat zou ik in de taalbadklas nooit doen. Sommige leerlingen blozen al bij een tekening van een bh.” “Je moet ook emotioneel sterk in je schoenen staan. Mijn mascara hangt ’s avonds geregeld onder mijn kin door wat ik allemaal te zien en te horen krijg. Ik heb nog nooit zo hard gewerkt als nu, maar het voelt niet aan als werk. Ik krijg er onbeschrijflijk veel voor terug.” ‘Ieder kind Taalheld’ is een pakket maatregelen van de Vlaamse overheid om de kennis van het Nederlands van alle leerlingen te versterken . ‘Ieder kind Taalheld’ vertrekt van de nieuwe minimumdoelen voor het basisonderwijs, met als doel maximale onderwijskansen voor elk kind. Het bericht De taalbadklas: “Een veilige omgeving om Nederlands te leren” verscheen eerst op Klasse .

30 Apr 2026

Klasse Vlaanderen

11 effectieve werkvormen voor sterke lessen

Hoe kies je een effectieve werkvorm voor je les? Bepaal eerst het doel dat je wil bereiken en hou rekening met de context. Met deze 11 onderbouwde methodieken laat je jouw leerstof beter plakken. Bepaal je doel en context Achterhalen wat je leerlingen al weten? De leerstof actief laten verwerken? Checken wie mee is? Kies eerst je leerdoel : wat wil je juist bereiken? Pas daarna selecteer je een werkvorm: hoe wil je dat doen? Neem ook je context in acht. De leeftijd van je leerlingen, de vakinhoud die je wil aanbrengen, je beschikbare tijd, waar je leerlingen nu al staan … Een werkvorm past vaak bij meerdere doelen. Maar niet elke werkvorm is in elke context effectief. Proberen is leren! Doel 1: Voorkennis activeren Hoe je leerlingen nieuwe leerstof niet meteen vergeten? Door die te koppelen aan bestaande kennis in het langetermijngeheugen. Zo zullen ze de nieuwe informatie sneller begrijpen, onthouden en kunnen toepassen. Start je les dus met een duik in het geheugen. Doel 2: Leerstof verwerken Markeren met fluo, nog eens herlezen: passief en minder effectief op lange termijn. Effectievere manieren om actief leerstof te verwerken: iets aan iemand uitleggen, zelf vragen bedenken of een mindmap maken. Kraken de hersenen van jouw leerlingen al? Doel 3: leerstof herhalen Herhaling werkt, dat weet iedereen. Maar maak je er ook elke les gebruik van? Met korte effectieve werkvormen fris je leerstof efficiënt op : uit vorige lessen, het vorige trimester en zelfs uit voorbije schooljaren. Doel 4: Toetsen om te leren “Staat het op punten?” Voor leerlingen is een toets nog te vaak een eindproduct. Terwijl (jezelf) toetsen net een krachtige manier is om te leren . Zwoegen op nóg meer klassieke toetsen? Niet nodig, want er zijn ook veel korte effectieve werkvormen met hetzelfde leereffect. Doel 5: Checken of iedereen mee is Alle vingers in de lucht: hét recept voor medewerking in de les. Maar slechts 1 leerling kan antwoorden … Beter: laat alle leerlingen actief nadenken . Zo kan niemand zich ‘verstoppen’ en krijg jij belangrijke info voor je volgende lessen. Kies een werkvorm Een goeie voorbereiding is alles. Check dus bij elke effectieve werkvorm het leerdoel, de tijd die je ervoor nodig hebt, het aantal leerlingen en de aanpak. Woordenzee Doel: activeren – herhalen – toetsen Praktisch: max. 10 minuten – 2 leerlingen Aanpak: De leerlingen noteren of tekenen in duo’s zoveel mogelijk begrippen die ze linken met het onderwerp. Jij brengt de antwoorden samen op het bord. Tips: Laat kleuters op grotere vellen papier tekenen. Dit kan perfect op een wisbordje. Toegangsticket Doel: activeren – herhalen – toetsen – checken Praktisch: max. 8 minuten – individueel Aanpak: Laat je leerlingen voor de start van de les nadenken over eerdere inhoud waar je op verder bouwt. Zo win je lestijd. Hou het simpel: 1 of 2 goede vragen op zo’n ticket leveren al veel inzicht op. Tips: Projecteer een QR-code met daarachter de vraag of quiz via een online formulier. Voordeel: live resultaten in 1 oogopslag. Geef je vragen mee tegen de volgende les, op papier of online. Differentieer in je les op basis van de input uit de tickets: wie heeft nood aan meer instructie? Of moet je iets klassikaal hernemen? 1 minuut post-it Doel: activeren – herhalen – toetsen – checken Praktisch: 5 minuten – individueel Aanpak: In 1 minuut schrijven je leerlingen alles wat ze nog weten van de vorige les(sen) op 1 post-it. Daarna hang je alle briefjes op het raam of bord. Zo zie je meteen hoeveel er is blijven ‘plakken’. Tips: Visualiseer de denktijd, bijvoorbeeld door een timer te projecteren. Help je leerlingen herinneren met een structuur: schrijf enkele kapstokken of categorieën op het bord of op papier. Placemat Doel: activeren – verwerken – herhalen Praktisch: 15 minuten – 4 leerlingen Aanpak: Je stelt een vraag of geeft een opdracht. Elke leerling werkt in ‘zijn’ vak van de placemat. Schrijven of tekenen: jij bepaalt. Daarna bespreken de leerlingen in groepjes hun ideeën en formuleren ze 1 groepsidee. Dat schrijven of tekenen ze in het middenvak. Tips: Zorg voor voldoende grote vakken in de placemat. Vertel je leerlingen op voorhand dat je iemand zal aanduiden om het groepsidee toe te lichten. Inspiratie voor vragen en opdrachten: je mening formuleren bij een stelling, ideeën verzamelen als brainstorm, een wiskundig probleem oplossen, woorden tekenen met de letter ‘r’ … Zoek de valse Doel: activeren – verwerken – herhalen – toetsen Praktisch: 15 minuten – 2 of meer leerlingen Aanpak: De leerlingen noteren in duo of groep 3 beweringen over de leerinhoud: 2 juiste, 1 valse. Daarna lezen de groepjes hun beweringen voor aan de rest van de klas. De andere groepjes beargumenteren welke de juiste zijn of welke de valse is. Tips: Minder tijdrovend dan een klassikale terugkoppeling: 2 of 3 kleinere groepjes die hun beweringen aan elkaar voorleggen. Inspiratie: uitspraken over wiskundige figuren, wero-thema’s, woordenschat moderne talen … Loopquiz Doel: activeren – verwerken – herhalen – toetsen – checken Praktisch: 15 minuten – 2 leerlingen Aanpak: Hang vragen en hun antwoorden aan een muur. Vorm duo’s. Per duo loopt leerling 1 naar een vraag/antwoord, leest ze, loopt terug en ondervraagt leerling 2. Daarna draaien de rollen om. Tips: Zoek naar ruimte: trek richting sporthal, speelplaats … Vervang de vragen door woorden. Laat de duo’s woorden ‘overbrengen’ naar de andere kant. Extra leuk in wedstrijdvorm: welk duo somt na 5 minuten de meeste woorden op? Bekijk in deze video hoe leraar Li’s de loopquiz aanpakt . Wisbordjes Doel: activeren – herhalen – toetsen – checken Praktisch: doorlopend – individueel Aanpak: Vingers opsteken? Nee, wisbordje omhoog! Zo laat je álle leerlingen denken. En controleer je in 1 oogopslag ieders antwoord. Tips: Zet wisbordjes alleen in om te activeren, herhalen, toetsen of checken. Het is een minder geschikte tool voor de verwerking van leerstof. Oefen met je leerlingen hoe ze de bordjes het best gebruiken: omhoog houden, groot schrijven, netjes opbergen, altijd schoonvegen … Zo kaapt de werkvorm niet te veel lestijd weg. Budgettip: lamineer stevig papier op A5- of A4‑formaat. Zo heb je een goedkoop wisblaadje voor elke leerling. Exit ticket Doel: activeren – herhalen – toetsen – checken Praktisch: 5 minuten – individueel Aanpak: Ontdekken of je les zijn doel heeft bereikt? Sluit af met een exit ticket. Zo krijg je inzicht in wat op welke manier is blijven hangen. Met die informatie speel je de volgende keer beter in op de behoeften van je leerlingen: wat moet je nog eens herhalen, waar is meer oefening nodig, welke misvattingen blijven overeind? Tip: Ga bij jonge kinderen of taalzwakke leerlingen voor (een combinatie van) emoticons (en tekst). Print de exit tickets van Klasse , voor lager en secundair onderwijs. Denk-duo-deel Doel: activeren – herhalen – toetsen – checken Praktisch: 5 minuten – alle leerlingen Aanpak: De leerlingen krijgen een opdracht of vraag. Ze denken eerst individueel 1 minuut na. Daarna wisselen ze 2 minuten informatie uit in duo’s. Tot slot koppelt elk duo terug naar de klasgroep. Kies per duo 1 leerling om het antwoord te geven. Tips: Duid op voorhand aan welke leerling de terugkoppeling voor zijn rekening neemt. Stel concrete vragen, bijvoorbeeld ‘Geef 5 kenmerken van …’ Laat de leerlingen op een wisbordje of A4-blad noteren. In fase 1 hun eigen antwoord, in fase 2 toevoegingen van hun duopartner met groen. Een handig opstapje naar zelfreflectie: wat wist ik niet? Geef feedback en laat je leerlingen het juiste antwoord noteren of aanvullen. Time’s Up Doel: activeren – herhalen – toetsen – checken Praktisch: 15 minuten – 2 of 4 leerlingen Aanpak: Maak duo’s en geef ze elk een timer en stapel kaartjes. Daarop staat telkens 1 begrip uit je leerstof. Om de beurt krijgen de leerlingen 30 seconden of 1 minuut, jij bepaalt. Leerling 1 omschrijft in die tijd zoveel mogelijk begrippen. Leerling 2 leidt er zoveel mogelijk af. Niet geraden kaartjes komen onderaan de stapel. Time’s Up? Dan keren de rollen om. Tot de stapel – of voorziene lestijd – op is. Tips: Ook leuk in groepen van 4: elk geraden kaartje is een punt. Welk duo wint? Of laat de leerlingen zelf begrippen noteren. Zo check je meteen wat (niet) bleef hangen uit de vorige les. Vragenmaker Doel: verwerken Praktisch: 10 minuten – 2 leerlingen Aanpak: Laat leerlingen per 2 een vraag opstellen over te kennen leerstof. Ze leren bij door zelf vragen te bedenken én kunnen zichzelf later toetsen door ze te beantwoorden. Tips: Soms is het nodig om duidelijk aan te geven welk type vraag je verwacht. Een modelvraag helpt dan. Verzamel alle goede vragen in een document. Deel het met je leerlingen. Een ideale zelftoets! Laat een groepje leerlingen elkaars vragen beantwoorden. De vraagsteller selecteert daarna het beste antwoord of geeft feedback. Selecteer eventueel 1 of 2 vragen voor de volgende toets. Digitale technologie doordacht inzetten in basis- en secundair onderwijs? De Leidraad Digitale technologie die het leren verbetert in opdracht van Leerpunt helpt je met 8 aanbevelingen op weg. Deze werkvormen werden gescreend aan de hand van de kwaliteitscriteria van Leerpunt . Het bericht 11 effectieve werkvormen voor sterke lessen verscheen eerst op Klasse .

30 Apr 2026

Klasse Vlaanderen

De leerkuil: kleuters leren omgaan met uitdaging

Leren is vallen en opstaan, ook voor jonge kinderen. VBS Kindercampus Godsheide – Vossenberg helpt kleuters veerkrachtig te worden met de metafoor van de leerkuil. Kleuterleraar Annemie: “We onderzoeken wat ze nodig hebben om verder te geraken.” Annemie Maris, kleuterleraar: “Kleuters die ’s ochtends hun jas niet zelf ophangen, maar hun hand uitsteken naar een ouder die het voor hen doet. Of kinderen die steeds potloden komen vragen, terwijl ze perfect weten waar die liggen. Volwassenen nemen met de beste bedoelingen vaak over, maar zo sijpelen verkeerde gewoontes de klas binnen. Kinderen helpen zonder woorden of feedback maakt hen hulpeloos. En het belemmert hun groei.” Wankelen hoort erbij “Wie leert fietsen, wankelt. Dat vinden we normaal: we moedigen aan, blijven kijken, maar nemen het stuur niet over. Bij andere leeruitdagingen doen we dat vaak wél. In 2023 drong het tot ons door: wij lossen te veel voor hen op. Samen met mijn collega-kleuterleraren Kaat en Ulrike zochten we naar een manier om de verantwoordelijkheid meer bij de kleuters leggen.” “We verdiepten ons in onderzoek rond feedback, hoge verwachtingen en growth mindset . Via het boek De leeruitdaging voor jonge kinderen stuitten we op een beeld dat bleef hangen : de leerkuil . Die staat symbool voor het moment waarop een kind begint te wankelen, te worstelen. Het voelt: dit kan ik nog niet. Net daar zitten kleuters in hun zone van de naaste ontwikkeling: wat nog moeilijk is, maar wél binnen bereik ligt met de juiste ondersteuning.” “Aan het begin van het schooljaar introduceren we de leerkuil bij onze kleuters met een poppenspel. Onze pop valt in een put, beek of gracht. Ze raakt er niet uit, want middenin staat een muur. Ze zucht, roept, twijfelt, wordt boos of verdrietig. Zo zien kinderen: frustratie hoort erbij .” © Tine Schoemaker Het beeld van de leerkuil wordt geïntroduceerd met een poppenspel. © Tine Schoemaker Kettingen maken zichtbaar welke strategieën kleuters wel en niet helpen bij een opdracht. © Tine Schoemaker Annemie Maris: “Kinderen beseffen nu dat frustratie bij leren hoort.” © Tine Schoemaker Annemie Maris: “We horen vaak: ‘Juf, ik zit in de kuil.’ Zo geven we taal aan leren.” De gereedschapskoffer “Samen vragen we ons af: welk gereedschap heeft de pop nodig om voorbij die muur te geraken? De ideeën vliegen rond: een touw, een hamer, hard stampen … Maar ook: volhouden, even op adem komen, om hulp vragen. Stap voor stap, steen voor steen, proberen we samen strategieën uit totdat het muurtje gesloopt is .” “Het beeld van de kuil gebruiken we vanaf dan het hele jaar door. We verwijzen ernaar wanneer het gaat over hun eigen leerproces. Het arsenaal aan gereedschap dat de pop probeert, vertalen we naar concrete leeraanwijzingen : tools die helpen bij nieuwe uitdagingen, zoals ‘zich concentreren’ of ‘luisteren’.” “Voor jonge kinderen blijven dat abstracte begrippen. Daarom vertalen we ze samen naar concreet gedrag: kijken naar wie praat , stil zitten om beter te focussen, jezelf afvragen of je een vraag hebt – dat zijn bruikbare strategieën om beter te leren luisteren. Zo scherpen onze kleuters hun executieve functies aan.” Iedereen leert anders “Wat voor Vito werkt, werkt niet automatisch voor Nora. Kleuters ontdekken zelf welk gereedschap hen vooruithelpt. De ene leerling kan zich beter concentreren als die zich even afzondert in onze buitenklas, voor de ander werkt een opgeruimde tafel of een hoofdtelefoon. Nog iemand anders heeft een pauze nodig voordat die kan focussen op het contractwerk.” “Die verschillende strategieën maken we met de leerkuil visueel voor onze kleuters en hangen we aan kettingen . Tijdens leermomenten onderzoeken we samen wat een kind helpt en wat niet. Kon Rinus zich na het spelen met de bal niet meer concentreren? Dan schrappen we het snoepje – symbool voor ‘de leukste activiteit eerst’ – van zijn ketting. Zo groeit stap voor stap hun zelfinzicht.” Taal voor leren “Op die manier leren kleuters eigenaar te worden van hun leerproces én krijgen ze taal om erover te praten . We horen nu vaak: ‘Juf, ik zit in de kuil’ of ‘Met dat lawaai kan ik me niet concentreren’. Ze benoemen verrassend helder wat moeilijk gaat: ‘De ogen van het mannetje lukten niet met plakband. Dat was lastig.’” “Soms spelen we ‘leerdetective’ . Dan kijken kinderen naar elkaar: wie werkt geconcentreerd? Hoe zie je dat? Wat doet die precies? Zo leren ze niet alleen hun eigen proces herkennen, maar ook dat van een ander.” “Werken met de leerkuil vraagt iets van de kleuters maar ook ook van ons: minder snel antwoorden geven, meer vragen stellen . Hoe ben je begonnen? Wat lukt al? Wat is nog lastig? Wat kan helpen? We vertrouwen erop dat kleuters zelf stappen kunnen zetten.” “Dat gesprek voeren we ook met ouders. Help je kind niet door het over te nemen, maar door het uit te dagen. Geef ruimte om te zoeken , te proberen en even te wankelen. Want net daar, in die kuil, gebeurt het leren.” Print de poster met de leerkuil Leren is een proces van vallen en opstaan. De leerkuil toont kinderen dat leren uitdagend is en doorzettingsvermogen vraagt. Maar met de juiste ondersteuning geraken ze uit de put. Print de poster , lamineer en hang zichtbaar in je klas. Waar bevindt je leerling zich in het leerproces? De start – “Ik begin aan een nieuwe uitdaging.” De val – “Het is moeilijk. Ik twijfel of raak wat gefrustreerd.” De muur – “Ik denk na: welk gereedschap kan mij helpen? Ik probeer een nieuwe strategie.” De klim – “Ik zet door en gebruik wat voor mij werkt.” De top – “Gelukt! Ik heb iets nieuws geleerd. De volgende keer kan ik het zo opnieuw proberen.” Meer weten over zelfregulerend leren? Raadpleeg de leidraad ‘Metacognitie en zelfregulerend leren . Bevorderen en implementeren van effectieve strategieën in het basis- en secundair onderwijs’ die VUB, UGent, Thomas More, Hogeschool Rotterdam voor Leerpunt hertaalden. Het bericht De leerkuil: kleuters leren omgaan met uitdaging verscheen eerst op Klasse .

28 Apr 2026

Klasse Vlaanderen

Wat als leraren elk jaar meeschuiven met hun leerlingen?

Leerlingen secundair die 3 tot 7 jaar lang dezelfde leraren hebben? Bij GO! Campus Het Spoor in Mol schuiven leraren mee met hun leerlingen. “We kennen onze leerlingen beter. En we worden sterker in onze job.” “Ik kon ze niet tegenhouden”, verontschuldigt directeur Natalie Drees zich terwijl ze de deur naar de lerarenkamer openzwaait. Daar zit een bonte bende leraren klaar: Wouter, Valerie, Katrien, Sam, Wendy, Nicky, Isabelle … Te veel stemmen om in 1 interview aan het woord te laten. Maar getuigen over sterk teamwerk doe je als team, toch? Het volgende anderhalf uur vullen deze leraren elkaars zinnen aan over meeschuiven met je leerlingen. Enthousiast, en met opvallend veel energie. Of er vroeger minder energie was? “Er was nood aan verandering”, trapt Natalie het gesprek af. “Enkele jaren geleden voelden we dat we gedrag gezamenlijk moesten aanpakken. Te veel leraren worstelden in hun eentje , de lestijd slonk. En in de arbeidsmarktgerichte opleidingen zagen we te veel C-attesten: veel leerlingen verlieten de school zonder diploma. In de eerste graad A‑stroom schreven dan weer weinig leerlingen in. Onze school was vaak tweede keuze. We moesten een eigen identiteit ontwikkelen, zeggen waar we voor stonden.” “Op dat moment liep via ‘ Warme Scholen ’ al een pilootproject met onze collega’s van Zorg en Welzijn in de arbeidsmarktfinaliteit. Als ‘Team Zorg’ begeleidden ze verschillende jaren na elkaar dezelfde groep leerlingen en werkten ze intensief samen. Heel wat collega’s vonden die aanpak inspirerend.” “En dus koos het team voor een nieuwe koers, met kleine lerarenteams die samen met de leerlingen meeschuiven naar een volgend jaar: Team Flextra (eerste graad B-stroom), Team Organisatie en Logistiek, Team Humane, Team Sport … Een klastitularis en enkele vakleraren blijven verschillende jaren bij dezelfde klasgroep . Zo werken leraren hechter samen en staat niemand er alleen voor.” © Kevin Faingnaert Wouter Bourbon, Team Sport: “Vroeger trok je de deur achter je dicht. Wat zich bij een collega afspeelde was ‘niet jouw probleem’.” Wél mijn probleem Gedrag en didactiek samen aanpakken was onvermijdelijk geworden, gaat leraar en trekker van Team Sport Wouter verder. “Onze leerlingen Sport durven de boel op stelten zetten, zeker tijdens algemene vakken. Vroeger trok je de deur achter je dicht. Wat zich bij een collega afspeelde was ‘niet jouw probleem’. Zeggen veel leraren dat, dan heeft dat een impact op de orde op school . Nu tackelen we problemen samen.” “Is er iets aan de hand in de les wiskunde, dan hoor ik dat snel van die collega. ‘Hoe kan u dat zelfs maar weten?’ vragen leerlingen soms. Algemene regels voor de richting Sport hangen we op in het klaslokaal: ‘Ik let op, ik zwijg als iemand aan het praten is, ik ben altijd in orde met mijn materiaal.’ Zondigen ze, dan kiezen we liever een alternatieve straf. Nablijven werkt niet altijd bij ons publiek. Wie tijdens de les Nederlands over de schreef gaat, komt ’s middags mee rondjes lopen. Dat begeleiden we als team beurtelings.” “Grote meerwaarde: de sterkere band die we nu opbouwen met de leerlingen. Omdat je verschillende jaren bij dezelfde klasgroep blijft, zien leerlingen altijd een bekend gezicht . Zij leggen hun zorgen makkelijker op tafel, wij weten welk rugzakje een leerling meedraagt. En we kunnen terugvallen op eerdere ervaringen wanneer een leerling moeilijk gedrag vertoont.” “In een bevraging over het meeschuiven met de leerlingen, antwoorden leerlingen vaak hetzelfde. Gebeurt er iets, dan krijgt dat snel een gevolg. Soms vinden ze het bijna vervelend dat we ze zo op de huid zitten. Maar het brengt ook rust dat leraren hetzelfde zeggen en dezelfde regels hanteren .” “Klassenraden over gedrag en leren halen we uit elkaar ”, pikt directeur Natalie in. “Op 4 momenten in het jaar hebben we een groeirapport, over leren en punten. De klastitularis bespreekt dat vooraf met zijn team en doet dan een uitgewerkt voorstel aan de klassenraad. Vaak kan iedereen zich daarin vinden. Klassenraden over gedrag worden samengeroepen op vraag. Als er een traject of verhoogde zorg nodig is, bijvoorbeeld. Maar omdat we elke klas met een vertrouwd lerarenteam omringen, zijn we die problemen vaker voor.” © Kevin Faingnaert Valerie Van Dingenen, Team Flextra: “Leerlingen in het zevende zien afstuderen die je in het eerste jaar in je klas kreeg, dat doet je iets.” 7 jaar samen Iemand verplicht aan een team toewijzen, vermijdt Natalie. Ze polst wie zich wil engageren voor de A-stroom en wie beter aardt in de B-stroom. Voor alle finaliteiten vindt ze leraren bereid . Zo reist leraar Valerie van Team Flextra wel 7 jaar mee met haar leerlingen. “Ik geef godsdienst van het eerste jaar B-stroom tot het zevende jaar in de arbeidsmarktfinaliteit. Niet de gemakkelijkste groep, maar ik kies er bewust voor”, zegt ze. “Leerlingen in het zevende zien afstuderen die je in het eerste jaar in je klas kreeg, dat doet je iets. Elk schooljaar bereid ik andere lessen voor in dit systeem. Maar ik ken de leerlingen beter en kan er meer op inspelen. Ik weet wanneer ze kunnen ontploffen of het moeilijk hebben.” “Of ik ze nooit beu ben of ze liever eens ‘afgeef’ op het einde van het jaar? Ik zie altijd ook hun positieve kanten . En zij weten dat ze met jou verder moeten. Dus zijn ze meer bereid om aan die band te werken.” “Aandachtspunt: dat je goed blijft samenwerken met je vakcollega’s. Zodat je elke leerlingengroep dezelfde onderwijskwaliteit kan garanderen en niemand zich terugtrekt op zijn eigen eiland. Op didactisch vlak heeft het meeschuiven met je leerlingen trouwens ook voordelen. Ik kan wat met het leerplan schuiven binnen een graad, meer in functie van de groep denken. Die autonomie geeft mijn job zin. ” Natalie Drees, directeur: “Samen keuzes maken betekent ook: samen oplossingen zoeken voor gevolgen van die keuzes.” Puzzelen voor gevorderden Opdrachten, uurroosters, klassenraden: wordt de personeels­puzzel niet erg complex als leraren meeschuiven met hun leerlingen? Directeur Natalie wikt: “Ook wie voltijds werkt, heeft een lesvrije halve dag. We doen wat we kunnen om opdrachten zo gunstig mogelijk in te delen. Maar de pedagogische werking heeft voorrang . En elke donderdag roosteren we overleg in, van 15.30 tot 17 uur.” “Dat bijna elke leraar in verschillende graden staat, leidt ook tot extra denkwerk . Wie vastbenoemd is in de derde graad, vragen we nu om toch ook in het vierde jaar enkele uren op te nemen. Ik hou rekening met de verschillende studierichtingen die leerlingen kiezen zodat telkens een leraar mee schuift.” “Een voorbeeld: een leraar geeft geschiedenis in het derde tot het zesde jaar van de richting Humane wetenschappen. Die wijs ik ook een paar uur geschiedenis toe in de richting Gezondheidszorg binnen datzelfde domein Maatschappij en welzijn. Maken leerlingen van Humane de overstap naar Gezondheidszorg, dan kennen ze daar alvast een leraar. Die kan de juiste info overdragen in de klassenraad.” “Op dezelfde manier laten we een collega uit de eerste graad B-stroom meeschuiven met de leerlingen van het Team Organisatie en logistiek in de tweede graad. Een andere verhuist mee naar Team Zorg, nog een andere gaat naar Team Auto en elektriciteit.” “Omdat je lesopdracht als leraar op die manier versnipperd raakt, stijgt de kans dat je meer verschillende lessen moet voorbereiden. Dat zorgde eerst voor weerstand. Maar samen keuzes maken betekent ook: samen oplossingen zoeken voor gevolgen van die keuzes. Of dat lukt? Meestal. Als je mensen tijd geeft . En luistert naar wat ze je vertellen. Ik vertrek bij álle collega’s van hun eigen voorkeur voor een team.” © Kevin Faingnaert Katrien Leysen, Team Humane: “Je voelt de steun van collega’s om moeilijke oudergesprekken tot een goed einde te brengen.” Sterke schouders Wie team zegt, zegt overleg. Vreet die vergadertijd niet aan andere taken, zoals lessen voorbereiden en verbeteren? “Je vergadert misschien meer, maar je verdeelt het werk over meer schouders”, ervaren leraar Katrien en haar collega’s. “En je wordt sterker in je job.” “Ons Team Humane komt wekelijks samen, en dan zijn die momenten nog te kort. Onder de lunch praten we over een leerling die het lastig heeft of over de visie van ons team . Zoals de vraag hoe we leerlingen uit de eerste graad bewuster helpen kiezen voor onze richting.” “We hebben vrij grote groepen leerlingen die veel zorg vragen. We ondersteunen elkaar en spelen kort op de bal”, gaat Katrien verder. “Vroeger moesten we eerst via verschillende instanties zoals de leerlingenbegeleiding. Nu handelen we onmiddellijk . En we noteren samen dingen voor het leerlingvolgsysteem. Zo hou je meer energie over dan wanneer je dat in je eentje moet dragen.” “De collega’s die oorspronkelijk niet geneigd waren om in een team te zitten, bedenken zich. Je kan het werk veel beter verdelen. Ieder doet waar die goed in is of energie uit haalt. Ik neem het creatieve op mij, een collega de uurroosters, een andere de gesprekken met ouders. Dat loopt vlot.” “De lijn naar ouders is vandaag korter. Omdat je hen door de jaren sneller leert vinden als bondgenoot. En omdat je ook de steun van collega’s voelt om moeilijke oudergesprekken tot een goed einde te brengen.” Omdat onze leraren hun leerlingen beter kennen, kunnen we hen gerichter oriënteren Nathalie Drees directeur Mooie cijfers Werpt het teamverhaal van de school zijn vruchten af? “Uit onze data blijkt alvast van wel”, zegt Natalie. “De ongekwalificeerde uitstroom zakte op 5 jaar tijd met meer dan de helft: steeds minder leerlingen verlaten de school zonder diploma. Enerzijds omdat we meer inzetten op flexibele trajecten of de overstap naar andere systemen, zoals het deeltijds onderwijs, het CVO of de examencommissie.” “Anderzijds omdat we er steeds beter in slagen om leerlingen juist te oriënteren aan het einde van de eerste en de tweede graad. Onze leraren kennen hun leerlingen beter, weten wie ze zijn, wat ze willen en waar hun talenten liggen. Als je een klas tweedejaars zowel voor wiskunde als voor techniek hebt, verruimt dat je blik. En als je ook in de hogere jaren lesgeeft, heb je een scherpere kijk op de uitdagingen waar je leerlingen het jaar daarna voor staan.” “Nog een – pril – cijfer: de tuchtprocedures. De laatste jaren groeiden onze leerlingenaantallen snel. De tuchtprocedures stegen mee. Vorig jaar startten we 22 procedures. Van 17 leerlingen moesten we uiteindelijk afscheid nemen. Op dit moment lopen er maar 3 procedures en moesten we maar 1 leerling laten gaan.” “Omdat lerarenteams een moeilijk traject met een leerling als hun verantwoordelijkheid beschouwen, duwen ze het minder snel van zich af. Onze school wordt ook duidelijk warmer: uit bevragingen weten we dat de motivatie én het welbevinden van onze leerlingen steeg. Samen met de leerwinst.” © Kevin Faingnaert Nathalie Drees, directeur: “Te veel leraren stonden er alleen voor, dat moest anders.” Teambuilding Doen wat je graag doet, een wekelijks overlegmoment of een concreet doel: wat is de gouden tip die deze leraren hebben voor wie ook op deze manier wil werken? Leraar Katrien denkt terug aan de bewogen start . “Mijn collega en ik wilden heel graag meer samenwerken, om nauw bij de leerlingen te staan en elkaar goed te kennen. Ilse, die statistiek geeft, zag dat ook zitten, gezien de impact van haar vak op de toekomstige studies van de leerlingen. Met ons drieën liepen we wat snel, vonden andere collega’s.” Natalie knikt. “Toen Team Humane vaart nam, kregen sommige leraren schrik: ‘ik ga uit de boot vallen’, of: ‘ze willen me niet’. Wat helemaal niet de bedoeling was”, duidt ze. “We houden maximaal rekening met de bezorgdheden van alle collega’s . Lukt het toch niet, dan gaan we het gesprek aan. Sommige leraren hakten de knoop door en vertrokken: ‘Als je dit van mij vraagt, vind ik hier geen werkgeluk.’” “Bij sollicitatiegesprekken ben ik duidelijk over onze verwachtingen. Loopt die persoon er niet warm voor, dan stopt het. Ik vraag ook altijd of er iemand van het team bij dat gesprek zit. Die moet tenslotte met de nieuwe collega samenwerken. Starters vertellen ook dat ze het fijn vinden om meteen opgenomen te worden in een team. Je moet hier niet van nul beginnen.” Terwijl haar team druk napratend vertrekt om weer les te gaan geven, maakt Natalie de balans op van 5 schooljaren met de vernieuwde aanpak. “Sommige teams hadden iets meer begeleiding nodig, maar ongeveer 95% van de leraren draait goed mee in dit systeem.” “In de personeelsbevraging van onze scholengroep scoren we zeer laag op conflicten onder leraren. We kunnen met trots zeggen dat we een van de exemplarische ‘Warme Scholen’ zijn. De sfeer is hier bovengemiddeld goed. We werken hard, maar we werken samen. Én we zien hoe onze inspanningen resultaten opleveren . Dat is de beste teambuilding die je kan wensen.” Het bericht Wat als leraren elk jaar meeschuiven met hun leerlingen? verscheen eerst op Klasse .

28 Apr 2026

Klasse Vlaanderen

Brede basiszorg: “Zorg voor je leerlingen. Én voor elkaar”

Hoe bied je leerlingen gepaste zorg zonder zelf kopje onder te gaan? Sint-Bavohumaniora ging van intensieve individuele ondersteuning naar brede basiszorg voor elke leerling. Zo houden leerlingbegeleiders Gilles en Katelijn zorg haalbaar. © Alexandra Bertels Leerlingbegeleider Katelijn Uyttenhove: “Bedenkingen van leraren over onze aanpak vertrekken niet vanuit onwil, maar vanuit betrokkenheid.” De ‘groentjes’ van Sint-Bavo zijn een begrip in Gent. Vroeger een uniformschool voor meisjes, vandaag een gemengde school. Met nog steeds dat kenmerkende groene uniform. Stap voor stap werd de school een spiegel van onze diverse maatschappij. Ook de aanpak van zorg evolueerde mee met de tijd. Meer oog voor zorgnoden, meer individuele begeleidingsplannen. Maar ook: meer werkdruk , en leraren die zich afvroegen hoe ze voor hun leerlingen konden blijven zorgen zonder zelf te kraken. “Kunnen we de toegenomen individuele begeleiding en bijbehorende administratie afbouwen zonder de zorg voor onze leerlingen terug te schroeven?” Leerlingbegeleiders Gilles en Katelijn zochten samen met hun collega’s naar oplossingen. “Het antwoord bleek te liggen in: meer hulp toegankelijk maken voor elke leerling. Individuele maatregelen die nu in verhoogde zorg zaten, brachten we terug naar basiszorg voor iedereen.” Gilles Devilder, leerlingbegeleider en leraar aardrijkskunde tweede graad: “Dat voelt ergens contra‑intuïtief: als je méér doet, heb je toch nóg meer werk? Een verandering is pas succesvol als iedereen mee is. En bij een idee dat zo lijkt te botsen, telt dat dubbel. Daarom startten we vorig jaar onder begeleiding van Arteveldehogeschool en met de steun van Leerpunt een werkgroep op rond brede basiszorg. Met directie, leerlingbegeleiders en leraren. Een collega uit elke vakgroep , van de eerste tot de derde graad, van wiskunde tot geschiedenis.” Katelijn Uyttenhove, leerlingbegeleider en leraar geschiedenis eerste graad: “We verzamelden onderzoek, plozen de literatuur uit, discussieerden en gingen op zoek naar een duidelijke visie. De leraren vertaalden die ideeën met hun vakgroep naar concrete ingrepen op de klasvloer. Zo voelden mensen zich gehoord, en minstens zo belangrijk: hun input hielp om voorstellen bij te sturen en compromissen te vinden die voor iedereen haalbaar waren.” Terechte bedenkingen Gilles Devilder: “Een heel zichtbare aanpassing: we schaften de meertijdklas bij examens af. Geen extra tijd voor enkelingen, maar meer tijd voor iedereen. Niet door nóg een uur examentijd eraan te plakken, maar door te knippen in de examenvragen . Daarnaast geven we bij vakken zoals aardrijkskunde en geschiedenis langere examenteksten vooraf mee. Vroeger een ingreep voor leerlingen met leesmoeilijkheden, vandaag in de brede basiszorg een kans voor elke leerling.” “We verwachten ook dat elke leraar zijn lesmateriaal online aanbiedt. Geen extra inspanning voor die ene leerling die er vanwege een leerstoornis of een aanslepende ziekte niet in slaagt om zelfstandig notities te maken . Maar een brede keuze die ook goed uitpakt voor wie een dagje afwezig is.” Onze troef: hier geeft elke leerlingbegeleider ook les Katelijn Uyttenhove leerlingbegeleider en leraar geschiedenis eerste graad Katelijn Uyttenhove: “Je kan eindeloos discussiëren over zulke keuzes. ‘Ons examen is niet meer representatief’, ‘ Ik weiger de lat lager te leggen ’, ‘Waarom zouden ze nog de moeite doen om te noteren?’: volstrekt terechte bedenkingen die niet vertrekken vanuit onwil, maar vanuit betrokkenheid. Belangrijk om dat te blijven zien. Soms schuift het hele team mee, soms blijkt een compromis de oplossing. Zo hield de vakgroep wiskunde in de derde graad vast aan een langer examen.” “Als je je aanpak in kaart brengt, merk je pas hoe sterk sommige collega’s al vanuit die filosofie op brede basiszorg werken. Met eigen ogen zien dat het bij collega’s lukt , dat de kwaliteit van je les overeind blijft en leerlingen niet achteroverleunen: het bleek vaak doorslaggevend om de sprong te wagen.” Leven en leren Katelijn Uyttenhove: “We bevragen onze leerlingen met een leef- en leermeter. De leefmeter peilt naar mentaal welzijn en vormt het vertrekpunt voor gesprekken die elke klastitularis met zijn leerlingen heeft. Niet om problemen te zoeken waar er geen zijn, wel om te weten wat je leerlingen bezighoudt. Opgroeien lukt zelden zonder bluts of buil. Door bijvoorbeeld tijdens het wekelijkse klasuur in de eerste graad gericht te investeren in psychosociaal welzijn, kunnen we daar steun bieden vóór de hulpkreet komt. En heel wat problemen oplossen voor ze je boven het hoofd groeien.” “Tweede zwaartepunt: het leerproces. Met onze leermeter brengen we de studiemethode van onze leerlingen in kaart. Die vragenlijst is de aanzet om te werken aan leerstrategieën en metacognitie. Geen oefeningen op het droge, maar vaardigheden die we toepassen op de leerstof. Dat lukt enkel omdat leraren die leerateliers zelf in handen nemen. Wat er ook voor zorgt dat het hele team dezelfde taal spreekt. En leerlingen van eerste tot zesde en in verschillende vakken technieken zoals de Cornell-samenvatting aangereikt krijgen.” Gilles Devilder: “Ook de band met ouders halen leraren zelf aan. Onze ambitie is om élke ouder op het oudercontact te krijgen. Wie niet inschrijft, krijgt een telefoontje van de klastitularis. Ouders zijn je belangrijkste bondgenoot wanneer een leerling worstelt, en het loont om van bij de start aan die band te werken.” “‘Mijn kind heeft 3 tekorten, wat gaan jullie daaraan doen?’: we zetten als school alles op alles zodat elk kind zich goed voelt en bijleert. Maar dat lukt enkel als die betrokkenheid thuis verder leeft. We verwachten van ouders dat ook zij hun rol spelen. Dat ze zich constructief opstellen naar de leraren van hun kind, interesse tonen voor wat hun zoon of dochter op school beleeft en thuis ook grenzen stellen.” © Alexandra Bertels Leerlingbegeleider Gilles Devilder: “Wat is de taak van de leraar, wat niet? Dat debat leeft in onze lerarenkamer.” Springen en omdenken Gilles Devilder: “Waar eindigt basiszorg? Wat is de taak van de leraar, wat niet? Dat debat leeft in onze lerarenkamer. Natuurlijk maken we nog individuele begeleidingsplannen en is er in verhoogde zorg ruimte voor voorleessoftware of andere hulpmiddelen. Maar we bekijken die samen met de leerling, laten ons in de eerste plaats leiden door wat die leerling op dat moment nodig heeft, en minder door labels en diagnoses .” Katelijn Uyttenhove: “Onze troef: hier geeft elke leerlingbegeleider ook les. Zo weet je waarover je spreekt. Je botst bij brede basiszorg op dezelfde hindernissen als collega’s. En niemand ziet je als de spreekwoordelijke stuurman aan wal. Als leerlingbegeleider ben je gewend om vanuit zorg te denken. Hangt een leerling het uit in de klas, dan spring je sneller van ‘dit lukt niet’ naar ‘wat heeft deze leerling nodig om zijn gedrag te veranderen?’ En: ‘wat heb ik nodig om dat te realiseren?’ Dat omdenken is allesbehalve vanzelfsprekend.” “Toch merken we nu dat leraren met meer vertrouwen de zorg voor hun leerlingen opnemen. En dat we als team steeds makkelijker de stap maken naar: wat heeft deze leerling nodig? Absoluut een investering, maar je voorkomt wel dat je in je eentje brandjes blust. En dat is een zorg minder voor ons allemaal.” Het bericht Brede basiszorg: “Zorg voor je leerlingen. Én voor elkaar” verscheen eerst op Klasse .

24 Apr 2026

Klasse Vlaanderen

Brede basiszorg: extra werk of samen sterk?

Doe ik het goed (genoeg)? En hoe hou ik het haalbaar voor mezelf? Bij brede basiszorg steekt vaak de twijfel op. Experten Johanna Van den Berghe en Elisa Vandenbussche (Arteveldehogeschool) stellen gerust en leggen uit hoe je basiszorg in je school versterkt. © Alexandra Bertels Johanna Van den Berghe (links): “Brede basiszorg moet een samen-verhaal zijn, met ook de ouders als partner.” Elisa Vandenbussche, onderzoeker en docent in de banaba-opleidingen Buitengewoon Onderwijs, Zorgverbreding en Remediërend Leren aan Arteveldehogeschool: “Leraren zetten al in op brede basiszorg. Met kleine, doordachte stappen die het verschil maken voor alle leerlingen. Alleen benoemen ze dat niet altijd zo en is er soms twijfel. Leraren merken dat de diversiteit in hun klas uitdagender wordt en vragen zich oprecht af hoe ze kwaliteitsvol onderwijs kunnen blijven bieden aan álle leerlingen.” “Hoe ze kunnen differentiëren en tegelijk de basisdoelen bereiken met de klasgroep. Soms heerst er een gevoel van onmacht: ‘Ik kan deze leerling niet meer helpen.’ Dat triggert de reflex om een leerling ‘er even uit te laten halen’ door een expert, vaak vanuit een schuldgevoel naar die leerling én naar de rest van de groep.” Johanna Van den Berghe, teamleider van de banaba-opleidingen Buitengewoon Onderwijs, Zorgverbreding en Remediërend Leren aan Arteveldehogeschool: “Daarnaast is er de druk van buitenaf. Het maatschappelijk discours over onderwijs is scherp. En wanneer het in de media over zorg gaat, verschuift het debat naar individuele labels . Dat maakt leraren onzeker: ‘Oei, deze leerling heeft 4 labels, hoe kan ik rekening houden met al die verschillende noden?’” “Ook de snelheid waarmee nieuwe doelen en rapporten op scholen afkomen, is pittig. We leggen de lat niet alleen hoog voor leerlingen. Ook van onze onderwijsprofessionals vragen we bijzonder veel.” Je kan geen harde lijn trekken waar brede basiszorg eindigt en verhoogde zorg begint Johanna Van den Berghe Hoe ga je als leraar met die uitdagingen om? Elisa: “De állereerste stap: besef dat je al veel doet. Leraren verwezenlijken fantastische dingen voor hun leerlingen vanuit hun expertise. Zonder het zelf te benoemen als ‘brede basiszorg’. Als je even meeloopt met een leerling om de overgang van de klas naar de speelplaats zacht te maken, bied je waardevolle zorg. Geef daar als team taal aan , geef dit een plaats in de visie van de school.” Johanna: “Wat je morgen al kan doen: open je klasdeur voor elkaar. Durf bij elkaar te gaan kijken en de zorg af te stemmen. Geregeld bij een collega binnenspringen tijdens een vrij uur kan meer betekenen dan een eenmalige nascholing. Je voelt je competenter als je ziet dat een collega ook zoekende is. En wie weet merk je intussen een handige structuur of werkvorm op die jij ook kan proberen.” Betekent brede basiszorg niet vooral ‘goed lesgeven’? Johanna: “In de kern wel. Het doel van brede basiszorg is om een krachtige leeromgeving te creëren die de ontwikkeling van elk kind maximaal stimuleert. Die ambitie koester je sowieso als je voor onderwijs kiest, toch?” “De term brede basiszorg is moeilijk ‘vast te pakken’. Er hangen ook geen exacte, universele kwaliteitseisen aan vast. Het vormt de basis van het zorgcontinuüm , maar ook daar: je kan geen harde lijn trekken waar brede basiszorg eindigt en verhoogde zorg begint. Alles haakt op elkaar in: elk initiatief tot ondersteuning heeft meteen impact op je klasaanpak.” Elisa: “Net omdat de grenzen vaag zijn, voelen veel leraren zich onzeker. Onterecht, want de kern ligt bij effectieve didactiek in je lessen. Denk aan instructie, differentiëren in de klas, variëren in werkvormen en toetsen analyseren. Het recente TALIS- onderzoek (2024) toont dat leraren zich op dat vlak net wel bekwaam voelen.” © Alexandra Bertels Elisa Vandenbussche (links): “Omdat de grenzen vaag zijn, twijfelen leraren vaak of ze genoeg doen.” Hoe wordt brede basiszorg op een doordeweekse ochtend zichtbaar? Elisa: “Een sterk voorbeeld: hoe leraren de dagplanning en de werktijd visualiseren met een timer of een dagschema aan het bord. Zo bied je rust aan de leerlingen die moeite hebben met structuur en stimuleer je intussen de zelfstandigheid van de hele groep. Ook de fysieke ruimte doet ertoe: een ordelijke klasopstelling en materialen die voor iedereen toegankelijk zijn. Zodat leerlingen niet voor elk wissewasje de les moeten onderbreken.” Johanna: “Ook aan je instructie kan je sleutelen zonder dat het je extra voorbereidingstijd kost. Hou in de gaten dat je de leerinhoud stapsgewijs aanbrengt en doelen expliciet benoemt: ‘Dit is wat we vandaag gaan leren en dit is waarom het belangrijk is.’ Zaken die de meeste leraren al elke dag toepassen.” Elisa: “Differentiëren kan door grote opdrachten op te splitsen in deelopdrachten voor wie dat nodig heeft, of door leerinhouden op verschillende manieren te presenteren, bijvoorbeeld een combinatie van beeld, tekst en audio. Zo pas je de principes van Universal Design for Learning (UDL) toe: je ontwerpt je les van tevoren zó dat de drempels voor iedereen lager worden. Waar kan je als leraar nog mee aan de slag? Elisa: “Preventie werkt voor al je leerlingen. Je kijkt vroeg genoeg naar wat je in de groep kan installeren om de klassfeer te bevorderen, je benut de gouden weken in plaats van enkel brandjes te blussen als het misgaat. Je zorgt voor rust in de klas , zodat ook leerlingen met concentratieproblemen zich kunnen focussen op de leerstof. Leerlingen mogen voelen dat fouten maken een essentieel onderdeel is van het leerproces. Als leraar heb je daarin een enorme voorbeeldfunctie.” Johanna: “ Feedback doet wonderen. Wat ging er goed bij deze opdracht en wat kan je de volgende keer anders aanpakken? Welke concrete stappen kan je nu zetten om te groeien ? Door systematisch niet enkel de voortgang van je ‘zorgleerlingen’ maar van álle leerlingen te monitoren, zie je sneller waar iemand een extra duwtje in de rug kan gebruiken. Brede basiszorg betekent dat je die diversiteit niet ziet als een probleem, maar als een meerwaarde voor de groep.” Het maatschappelijk discours is scherp. We leggen de lat ook hoog voor onze leraren Elisa Vandenbussche Niet elke leraar hoeft dus een zorgleraar te zijn? Elisa: “Als leraar help je leerlingen bij hun leerproces, daar ligt jouw expertise. Je kent je leerlingen en brengt ze zo ver mogelijk. Maar een expert in ASS of ADHD hoef je niet te zijn. Het zorgteam is een belangrijke sparringpartner. Omdat het zorgcontinuüm geen checklist met harde lijnen is, zetten zij die uit: wat is voor ons basiszorg in de klas en waar trekken we de grens? Dat geeft het team de nodige rust en duidelijkheid, en de leerlingen de juiste ondersteuning.” Johanna: “Om te begrijpen wat leraren daarvoor nodig hebben, moet die zorgleraar voldoende in de klas komen. Maar niet enkel om bij te springen. Door het lerarentekort wordt het zorgteam te vaak ingezet om gaten in het rooster op te vullen. Dat is jammer, want hun kracht zit net in het versterken van het hele team. En dat kan enkel als ze ruimte krijgen om te observeren, data te interpreteren en systematisch op te volgen. Het coördineren van die zorg is belangrijk om de juiste ondersteuning tot bij de juiste leerling te krijgen.” Hoe belangrijk is een gedeelde visie? Johanna: “Brede basiszorg is complex en contextafhankelijk; een kleine dorpsschool is anders dan een grote stadsschool. Daarom moet je als team afspreken: wat is voor ons dit schooljaar de focus ? Een sterk schoolbeleid geeft richting. Met een gedragen visie hebben leraren minder het gevoel dat ze op een eiland werken. In alle onderzoeksprojecten zien we bovendien dat er vanuit een professionele leergemeenschap ‘collective teacher efficacy’ ontstaat: het geloof dat je als team bekwaam genoeg bent om die uitdagingen aan te gaan.” Elisa: “Het is heel belangrijk om een individuele oplossing duurzaam te verankeren . Hoe nemen we het hele team mee in een aanpak die voor één leerling werkte, maar misschien ook goed is voor iedereen? Zorg is geen individueel proces van een leraar of een leerlingbegeleider.” Johanna: “Dit is een echt samen-verhaal . Maak gebruik van de ondersteuning van je pedagogische begeleidingsdienst. En beschouw partners zoals de leerondersteuners en het CLB als deel van je team. Dat geldt ook voor ouders: neem hen mee in wat de school doet en waarom. Als iedereen dezelfde taal spreekt en dezelfde doelen nastreeft, creëer je rust en stabiliteit. Je hoeft geen superheld te zijn die alles in zijn eentje oplost.” Elisa: “Brede basiszorg blijft een proces , geen checklist die je even afvinkt. Wees je als team bewust van wat je doet voor álle leerlingen en waarom, zodat wie extra ondersteuning nodig heeft, zich niet ‘anders’ hoeft te voelen.” Johanna: “Brede basiszorg is ook geen extra laag bovenop je lespraktijk. Het zit in wat je elke dag doet, en waar je voor kiest. Door die keuzes samen te benoemen en te delen, maak je ze sterker voor elke leerling én voor jezelf.” Het bericht Brede basiszorg: extra werk of samen sterk? verscheen eerst op Klasse .

24 Apr 2026

Klasse Vlaanderen

Brede basiszorg: “Eén leraar kan niet alle ballen hoog houden”

In basisschool De Kleine Wereld in Asse evolueerde brede basiszorg van losse zorginterventies naar een teamgerichte aanpak. Met 3 leraren per leerjaar, routines en overleg kan 1 klas verschillende noden aan. © Alexandra Bertels Kristien Janssens, zorgcoördinator: “Taken verdelen we per team. Zo blijft de werkdruk behapbaar.” Kristien Janssens, zorgcoördinator: “15 jaar geleden stond ik voor de klas in Brussel en zag ik hoe de zorgvragen bij leerlingen toenamen. Toen ik in deze school in de Brusselse rand terechtkwam, werd dat beeld scherper: meer kinderen met een zorgnood, maar tegelijk ook leerlingen die snakten naar extra uitdaging. 24 leerlingen, eens zoveel noden. En één leraar die alles moest torsen .” “De directie gaf me ruimte om oplossingen te vinden. We moesten af van het idee dat je brede basiszorg in het lager onderwijs los van je klaswerking organiseert. Want zorg is geen taak voor de zorgcoördinator of de leraar. Maar een gedeelde opdracht die je als team aanpakt.” Zonder stigma Kristien Janssens: “Een eerste stap was co-teaching . Vandaag draagt elk leerjaar zijn werking met 3 mensen: 2 klastitularissen met elk hun klas en 1 vaste zorgleraar. 3 paar schouders onder dezelfde opdracht. Dat is het fundament van onze brede basiszorg in het lager onderwijs. Als leraar heb je niet langer het gevoel: ik moet alle rugzakjes in mijn eentje ondersteunen. Niet evident, we zochten lang naar een haalbare organisatie. De directeur puzzelde met uren, dacht out of the box , stelde sterke leerjaarteams samen.” “De zorgleraar neemt voor de ene les de sterkste leerlingen mee terwijl de klasleraar focust op wie extra ondersteuning nodig heeft. Op andere momenten draaien we de rollen om of werken we in niveaugroepen .” “Onze schoolruimte ondersteunt dat systeem. Klassen liggen naast elkaar, met een zorghoekje ertussen. Kinderen kennen het systeem en schuiven vlot naar naar een andere groep. Alle leerlingen zitten wel eens in de zorghoek, soms gewoon omdat ze dan meer spreekkansen krijgen. Zo verdwijnt het stigma rond zorg.” “Is een leraar ziek, dan valt de basiszorg niet stil. De 3 collega’s van elk leerjaar kennen de leerlingen en hun noden. Ook praktische taken verdelen we per team: rekengroepen verdelen, pre-teaching voorbereiden bij begrijpend lezen, instructies differentiëren . Zo blijft de werkdruk behapbaar .” Goed voor de groep Kristien Janssens: “Wat we vroeger deden als basiszorg voor één kind op een apart bankje, bleek eigenlijk goed voor de hele groep . In elke klas hangt nu dezelfde daglijn. Ook vaste routines, zoals de boekentas maken, zijn voor iedereen zichtbaar. Leerlingen zien wat er moet gebeuren: brooddozen in de bak, agenda schrijven, dagstarter nemen … Die visuele structuur brengt rust voor elk kind.” “Sommige kinderen gebruiken software zoals Sprint bij dyslexie of doen aan cirkelrekenen. Andere ondersteuning is klein en tastbaar: een maaltafelkaart, verlengde instructie, een prikkelarme plek. Samen bouwden we intussen een uitgebreide set hulpmiddelen op. Omdat we vaak met 2 paar ogen naar de klas kijken, voelen we ook sneller wanneer een kind wankelt. Zo kunnen we preventief ingrijpen , soms nog voor problemen aan de oppervlakte komen.” © Alexandra Bertels Kristien Janssens: “Het zou zonde zijn om in juni vast te stellen dat iets in januari al niet liep.” Op- of afbouwen Kristien Janssens: “Onze werking staat nooit stil. We gieten ze bewust in een cyclisch proces van evalueren en bijsturen . En overleggen met leerondersteuners en CLB . Het zou zonde zijn om in juni vast te stellen dat iets in januari al niet liep. Daarom bekijken we elke week tijdens overleg de niveaugroepen kritisch. Hoe ging het vorige week? Kan dit kind een stapje hoger zetten? Of heeft het opnieuw nood aan ondersteuning? Niveaugroepen liggen hier nooit voor een hele maand vast.” “Dat cyclisch werken vertaalt zich ook in het verhogen of terugschroeven van zorg. Het overzicht met de aangeboden hulpmiddelen is een levend document en zit ook bij het rapport. Zodra een maatregel niet langer nodig is, strepen we die zichtbaar door. Zo volgen ouders het traject van hun kind.” “Begin juli komen onze teams samen om de noden van elke leerling door te geven aan het team van het volgende leerjaar. Zo verliezen we geen tijd in september en krijgt elk kind wat het nodig heeft. Toch blijft het zoeken, want tijdens een zomer groeit het kind en niet voor alles is er meteen een pasklare oplossing. Maar onze gereedschapskist is intussen goed gevuld.” Plannen en praten Kristien Janssens: “De eerste stap om je brede basiszorg in het lager onderwijs te versterken? Communicatie en een sterke planning. Onze directie investeert bewust in overlegtijd . Terwijl vrijwilligers met de kinderen gaan zwemmen, zitten leraren samen. Elke week plannen we vaste momenten om de groepen voor de komende week te bepalen, op basis van toetsen en observaties. Daarnaast is er elke vrijdag zorgoverleg met de zorgcoördinator en het leerjaarteam.” “De puzzel in het lessenrooster is complex. Maar de opbrengst is groot. Dat zien we in de resultaten van de Vlaamse toetsen, in het lage ziekteverzuim in ons team en vooral in het gevoel op de werkvloer. Niemand hoeft hier nog in zijn eentje alle zorgen van de wereld te dragen. Dat doen we samen. Dat is onze kracht.” Het bericht Brede basiszorg: “Eén leraar kan niet alle ballen hoog houden” verscheen eerst op Klasse .

23 Apr 2026

Klasse Vlaanderen

Feedback: wat werkt (niet)?

Waarom komt je feedback niet altijd aan bij je leerlingen? Werkt mondelinge feedback beter dan schriftelijke? En wat is het nut van reflectievragen? Melissa De Bruyker (Arteveldehogeschool) antwoordt op vaak gestelde vragen over feedback. Waarom komt mijn feedback niet altijd aan? Melissa De Bruyker , onderzoeker Arteveldehogeschool: “Wanneer je leerlingen feedback geeft, bots je op cognitieve en affectieve drempels: soms kunnen leerlingen niets met je feedback, soms willen ze zich er niet voor openstellen. Je kan die drempels alleen uit de weg ruimen als je er tijdig mee aan de slag gaat.” “Om te beginnen: de cognitieve drempels . Formuleer je instructie behapbaar en helder. Communiceer vooraf duidelijke kwaliteitscriteria (feed-up) om cognitieve overbelasting te vermijden. Kies gericht waarop je feedback geeft en leg altijd de link met de criteria die je meegaf. Blik ook vooruit (feed forward): wat is de volgende stap om ons doel te bereiken? Geef verder nooit méér feedback dan je leerlingen op dat moment kunnen verwerken. En tot slot: laat ze hun prestatie eerst zelf inschatten voor jij dat doet. Zo maakt jouw feedback meer kans om te landen .” “Ook op affectieve drempels voor feedback moet je zo vroeg mogelijk ingrijpen. Creëer succeservaringen met haalbare doelen en positieve feedback om het zelfvertrouwen van je leerlingen te versterken. En werk aan een vertrouwensband zodat je op een veilige manier negatieve feedback kan geven. Ga daarom ook in dialoog, geef je leerlingen de kans om hun bedenkingen bij je feedback uit te spreken. Zo vergroot je hun luisterbereidheid.” “Pas als leerlingen merken dat je hoge verwachtingen koestert en inzien dat je feedback als doel heeft hen te laten groeien, geloven ze dat fouten waardevol zijn in hun leerproces. Tot slot: geef feedback op de taak en op het proces, niet op de persoon . ‘Jij bent een wiskundeknobbel’: ‘Frans ligt je niet’: leerlingen hebben niets aan die feedback omdat ze er ook niets aan kunnen veranderen .” Hoe komt je feedback wél aan? Expert Melissa De Bruyker vertelt het in deze explainer . Schriftelijke of mondelinge feedback: wat werkt beter? Melissa De Bruyker: “Mondelinge feedback levert gemiddeld 7 maanden leerwinst op, schriftelijke feedback 5 maanden. Staar je echter niet blind op dat verschil en hou vooral de 3 basisvoorwaarden voor effectieve feedback voor ogen. Ten eerste: doelgericht en kwalitatief onderwijs. Ten tweede: feedback op taak, proces én zelfregulatie. Tot slot aandacht voor hoe leerlingen feedback ontvangen en ermee aan de slag gaan.” “Mondelinge feedback is snel en biedt kansen tot dialoog, waardoor je meteen weet of je feedback landt. Je kan leerlingen vragen om je feedback te noteren en er acties bij te formuleren.” “Schriftelijke feedback is duurzaam maar tijdrovend. Al kan je snelheid maken met codes gelinkt aan je kwaliteitscriteria . Of leerlingen in een eerste feedbackronde zelf notities laten maken bij eigen of andermans werk.” “Recent onderzoek beklemtoont het nut van ‘ geannoteerde voorbeelden ’: authentieke opdrachten en ingevulde toetsen die je van commentaren voorziet. Wanneer je zulke voorbeelden al tijdens je instructie meegeeft én aan je kwaliteitscriteria koppelt, maak je de doelen veel concreter.” Zijn reflectievragen op de toets of op het examen nuttig? Melissa De Bruyker : “Feedback kan zich richten op 3 aspecten van een opdracht: de taak zelf, het proces (de strategieën die leerlingen benutten om de taak op te lossen) en zelfregulatie (hoe leerlingen hun werk plannen , opvolgen en evalueren). Een examen is een uitstekende aanleiding om over die 3 aspecten te reflecteren.” “Het klopt dat niet elke leerling al tijdens het examen de bandbreedte vindt om terug te kijken op het proces en na te denken over zelfregulatie. Een korte vragenlijst op het examen kan een nuttige aanzet zijn. Maar wanneer reflectievragen een verplicht nummer worden, bereik je er weinig mee. De echte waarde schuilt in het gesprek achteraf met je leerlingen over taak, proces en zelfregulatie. En in een groeigerichte houding bij leraren én leerlingen.” “Toch hoef je niet tot de toets of het examen te wachten om reflectie te stimuleren. Die kansen vind je ook in je les . Een fout antwoord in de klas is een nuttig opstapje om samen denkfouten te onderzoeken. En als je een toetsvraag tijdens je les opnieuw bovenhaalt, kunnen je leerlingen nieuwe inzichten over hun aanpak meteen toepassen. En kan je ze daar ook bewust van maken door erover in gesprek te gaan: ‘Wat doe je nu anders? Waarom? En welk effect heeft dat?’” Meer weten over effectieve feedback? Raadpleeg de Leidraad Feedback die het leren verbetert in opdracht van Leerpunt. Onderzoekers Melissa De Bruyker en Eva Vandemeulebroucke (Arteveldehogeschool) hertaalden de Leidraad Feedback. Het bericht Feedback: wat werkt (niet)? verscheen eerst op Klasse .

23 Apr 2026

Klasse Vlaanderen

Solliciteren in het onderwijs: zo overtuig jij de directeur

Een job in onderwijs vraagt meer dan een sterk cv. 5 directeurs verklappen waar zij op letten bij een sollicitatie én wat ze zeker vragen. 1. Zitten timing en vorm goed? “Start al eind mei, begin juni met solliciteren in het onderwijs. Voor mij de ideale periode om sollicitatiebrieven te ontvangen”, zegt directeur Bram Bartholomees van GO! Atheneum KA Tervuren. “Na de paasvakantie maken we een schatting: hoeveel klassen zijn er volgend schooljaar? Hoeveel leerlingen verwachten we? Dan al beginnen we ons team samen te stellen .” “Wie net afgestudeerd is, wacht beter niet tot de zomervakantie om te solliciteren in het onderwijs”, zegt ook directeur Hagere Ben El Fkih van basisschool De Knipoog in Vilvoorde. “Hoe vroeger je contact opneemt, hoe meer opties je hebt. Je sollicitatiebrief persoonlijk komen afgeven kan zeker, maar dat gebeurt nog zelden. Wat ik meer en meer merk, zijn motivatiebrieven en cv’s die door AI zijn opgesteld. Die teksten zijn correct maar erg glad. Daarin mis ik de mens achter de woorden.” Een cv hoeft niet lang te zijn. Relevantie is belangrijker dan kwantiteit. “3 maanden in een winkel zeggen weinig over je pedagogische ervaring”, zegt Tanja Segers, directeur bij GBS De Boot in Opwijk. “Maar wie leiding gaf in de jeugdbeweging of animator was op kamp, toont dat die met jongeren kan werken .” Sofie Willems, directeur bovenbouw van Maricolen in Maldegem: “Waar je de vacatures vindt? Op onze schoolwebsite en op de website van de VDAB. Vaak delen we ook nog extra via LinkedIn.” 2. Wat gebeurt er met elke sollicitatie? Directeur Felicia Van der Vliet, gemeentelijke basisschool Kapelle-op-den-Bos: “Wanneer sollicitaties binnenkomen, deel ik die meteen met mijn collega-directeurs van de scholengroep. Ik geef mee om welk profiel het gaat en we bespreken samen of iemand bij een van onze scholen past. We plannen een eerste gesprek online , zodat niemand zich nodeloos moet verplaatsen voor een korte kennismaking.” “Ik krijg de interessante profielen door van mijn beleidsmedewerker”, zegt Bram. “Zij bekijkt al wie waar zou kunnen passen.” Tanja: “Ik lees alle brieven zelf. Iedereen krijgt ook antwoord. De profielen die ik op dat moment moet teleurstellen, komen terecht in de sollicitantenpool van de scholengemeenschap. Zo kunnen we ze later contacteren als er door onverwachte veranderingen, ziekte of zwangerschapsverlof weer vacatures opduiken.” “Wij bewaren ook elke sollicitatie”, vertelt Hagere. “Zo kunnen directies binnen onze scholengemeenschap elkaar tippen. Een kandidaat die niet bij mij past, is misschien wél wie een collega zoekt.” Als de timing het toelaat, vraag ik de kandidaat om een proefles te geven Bram Bartholomees directeur GO! Atheneum KA Tervuren 3. Kent de sollicitant de school? Alle directeurs zien graag kandidaten die de moeite deden om te bekijken waar de school voor staat . Tanja vraagt bewust naar die voorbereiding: “Ik zeg letterlijk: ‘Waarom koos je voor onze school? Heb je onze visie gelezen?’ Dat vertelt veel over motivatie.” Ook Felicia wil dat sollicitanten weten waarvoor ze kiezen. “We vertellen hoe ons directieteam werkt: geen top-downbeleid, maar gedeelde verantwoordelijkheid en open communicatie . Wie zich daar niet in kan vinden, voelt zich bij ons snel ongelukkig. We willen mensen die echt voor ons verhaal kiezen.” “Mensen uit de zorg of bedrijfswereld komen soms als zij-instromer met een romantisch beeld”, zegt Sofie. “Ze willen jongeren inspireren voor een beroep, en dat is mooi. Maar het onderwijs is intens . In sommige richtingen zitten jongeren die niet vanzelf gemotiveerd zijn. Daar moet je tegen kunnen. En dat toets ik af in het gesprek door te vragen waarom ze voor onderwijs kozen.” Bram: “Als de timing het toelaat, vraag ik de kandidaat om een proefles te geven aan mij en mijn collega tijdens het sollicitatiemoment. Dat mag een les zijn die ze al eerder gaven of die past binnen hun opleiding. Zo’n proefles geeft de nodige gespreksstof en je kan meteen doorvragen: werkte die aanpak? Welk resultaat zag je?” “Ik neem een sollicitant meteen mee op rondleiding door de school . Dan zie ik hoe iemand reageert. Kijkt die rond? Glimlacht die naar leerlingen? Schrikt die van drukte? Ik let ook op hun reactie bij een begroeting of een spontaan gesprek met collega’s. We plannen dat altijd op een moment waarbij er leerlingen aanwezig zijn op school, zo heeft de leraar in spe meteen een duidelijk beeld van wie bij ons schoolloopt. En weet ik snel of ze in ons team passen”, zegt Hagere. Lees ook: ‘Hoe solliciteer ik in het onderwijs?’ 4. Toont de kandidaat wie die écht is? Directies willen de persoon achter het cv leren kennen. “Sollicitanten vervallen soms in sociaal wenselijke antwoorden”, zegt Sofie. “Ik vraag dan naar concrete situaties . Hoe reageerde je toen een leerling niet luisterde? Wat deed je toen jouw les misliep? Wie kan zeggen wat beter kon, toont leervermogen. Dat is voor mij even belangrijk als ervaring.” Ze gebruikt vaak de STARR-methode : een voorbeeld beschrijven vanuit de Situatie, Taak, Actie, Resultaat, Reflectie. “Die verhalen mogen gerust uit hun vrije tijd komen”, legt ze uit. “Een jeugdleider die een moeilijk kampweekend moest redden, vertelt mij ook veel over zijn pedagogische vaardigheden.” Felicia voegt toe: “We vragen altijd naar werkpunten. Niet om te oordelen, maar om te zien of iemand zichzelf kent en bereid is te groeien. We geven ook mee dat wij zelf werkpunten hebben. Zo start je een eerlijk gesprek.” “Ik let op hoe iemand praat over zijn werk”, zegt Tanja. “Iemand die met passie vertelt over een stage of een nascholing die wil groeien en dat is belangrijk. Dat straalt af op de school. Ik stel ook de vraag: waar zie je jezelf over 5 jaar? Dat brengt perspectief in het gesprek.” Directeur Bram vindt eerlijkheid ook een absolute must. “Ik vraag altijd naar waar de sollicitant nog gesolliciteerd heeft. Zo schat ik ook in welke kans wij als school maken. Als iemand elke dag meer dan uur onderweg zou zijn naar onze school en dichterbij ook een sollicitatie heeft lopen, dan hou ik daar rekening mee.” Het lerarentekort is wel prangend, maar dit beroep mag nooit een tweede keuze zijn Sofie Willems directeur bovenbouw Maricolen in Maldegem 5. Is er een klik met het schoolteam? Een diploma en competenties zijn belangrijk, maar de klik weegt vaak door. “Een oprechte houding weegt zwaarder dan een perfecte presentatie. De ‘vibe’ met de persoon moet er gewoon zijn”, zegt Hagere. “Je voelt snel of iemand aansluit bij de schoolcultuur.” Ook Sofie hecht veel belang aan het team: “Lesgeven doe je niet alleen. Je moet graag voor een groep staan, maar ook graag samenwerken . Als je energie haalt uit overleg en ideeën delen, pas je meestal goed in het team.” Sofie: “Na het eerste gesprek nodigen we de kandidaat opnieuw uit. Dan tonen we de school en laten we ook even tijd om na te denken. We merkten dat sommige kandidaten uit enthousiasme te snel toezeggen. Nu krijgt iedereen 2 dagen bedenktijd. Zo nemen we beslissingen met een helder hoofd .” Bram vraagt altijd naar de talenten van de sollicitant. “Wat kan jij toevoegen aan ons team? Met welke 3 eigenschappen zou een vriend jou typeren? Geen makkelijke vragen, maar zo ontdek ik wel wat deze persoon typeert en hoe de match met het team zal zijn.” Sofie is ook duidelijk over kwaliteit: “We stellen niet zomaar iemand aan omdat we iemand nodig hebben. Het lerarentekort is wel prangend , maar dit beroep mag nooit een tweede keuze zijn. Soms is niets beter dan iets. We willen investeren in mensen die uit passie kiezen voor het onderwijs en onze visie kunnen uitdragen.” Welke vragen stellen directeurs tijdens een sollicitatiegesprek? Klasse bevroeg 100 directeurs. Dit is hun top 10. Wat kunnen wij van jou leren? Waarom solliciteer je hier? Hoe pas jij binnen de pedagogische visie van de school? Waar heb jij al gewerkt of stage gedaan? En wat heb je daar geleerd? Wat wil je zelf nog leren? Hoe reageer je op een leerling die uit de klas loopt? Hoe reageer je op een boze ouder? Hoe flexibel kijk je naar een onderwijsopdracht? Hoe ziet de ideale werkomgeving er voor jou uit? Wat vind je belangrijk in je (parallel)collega? Welke aspect aan onderwijs boeit je het meest? Waarom heb je gekozen voor de job? De goede antwoorden? Er bestaan geen modelantwoorden, maar de visie van de school en jouw eigen kijk op lesgeven helpen je op weg. Het bericht Solliciteren in het onderwijs: zo overtuig jij de directeur verscheen eerst op Klasse .

21 Apr 2026

Klasse Vlaanderen

Op klasuitstap naar het MigratieMuseumMigration

Het dondert. Of wacht, het zijn de leerlingen van GO! Freinetschool De Mijlpaal die de trap van het Brusselse MigratieMuseumMigration opstormen tijdens een klasuitstap. Een dag over vooroordelen, democratie en identiteit. De leerlingen van het 3e en 4e leerjaar, vanuit het verre Tongeren op klasuitstap in Brussel, zijn alvast enthousiast wanneer ze het kleurrijke decor van het Gewoon Vreemd Paleis van het MigratieMuseumMigration binnenwandelen. “Wauw”, hoor je uit verschillende kindermonden. “Waar zijn de illusies?” vraagt Frey meteen. Juf Inge lichtte duidelijk al een tipje van de sluier vóór hun aankomst. Gids Patrizia wacht geduldig tot alle leerlingen neerzitten en start met een vragenrondje. “Wie heeft ooit al een paleis of kasteel bezocht?” De helft van 27 vingers gaat de lucht in. “En waar heb je dat dan gezien?” vraagt Patrizia. “In Alden Biesen!” en “In Frankrijk!” roepen verschillende leerlingen. Patrizia vertelt dat er in een paleis een koning en een koningin wonen. De koning van België kwam 28 jaar geleden langs in het Gewoon Vreemd Paleis. Op de vraag wie er toen koning was, komen er heel wat suggesties: Leopold II, Filip … maar het was Albert II die toen een bezoek bracht. “En wij hebben een echte troon”, zegt gids Patrizia enthousiast. Frey roept: “Oh, ik wil daarop zitten!”. En ja, dat mag! © Katrijn Van Giel Zijn deze stellingen een vooroordeel of een feit? Gewoon versus vreemd De leerlingen sommen op wat je in een paleis kan vinden: schilderijen, lange gangen, een nar … én een schatkist met goud, diamanten, zilver, brons of wat ze misschien het liefst zouden vinden: snoep. Patrizia doorprikt snel die bubbel: “We starten aan het parcours, lieve kinderen. Verdeel je in groepjes van 2 of 3 en beantwoord de vragen in het routekaartboekje .” De leerlingen vertrekken richting de verschillende ruimtes van Het Paleis. In de eerste ruimte ontdekken ze wat ‘gewoon’ of ‘vreemd’ is, en wat ‘waar’ of ‘onwaar’. Stellingen doen hen nadenken over hun mening en in gesprek gaan over vooroordelen die ze hebben, maar ook de mening van de ander respecteren. “Jongens die verliefd worden op jongens, en meisjes op meisjes, dat is toch gewoon?” zegt Eloy. Zijn vrienden Aurelias en Sükan knikken bevestigend. Stellingen die de leerlingen als waar of onwaar moeten bestempelen, zijn onder andere ‘alle vogels kunnen vliegen’ of ‘John is de meest voorkomende naam ter wereld’. Zoektocht naar de grootste schat Ze leren ook het verschil tussen een vooroordeel en een feit tijdens hun klasuitstap naar het MigratieMuseumMigration. De leerlingen vullen vlijtig hun boekje in met vragen over diversiteit , zoals ‘je kan Belgen herkennen aan hun blanke huidskleur’, ‘alle Turken zijn moslim’, ‘werklozen willen niet werken’ of ‘roken is ongezond’. Sommige leerlingen hebben een duidelijke mening. Een knop brengt uitsluitsel: feit of vooroordeel. Gids Patrizia hopt intussen van groepje naar groepje om te helpen en te vragen naar extra voorbeelden van een feit en een mening. Ondertussen wachten enkele groepjes ongeduldig om de volgende opdracht uit te voeren. Aurelias is benieuwd waar hij de schatkist kan vinden. Bij vraag 11 op de routekaart moeten ze punten geven aan enkele feiten en vooroordelen. De som is de code van het slot. Spannend! Ze hebben in een mum van tijd de code te pakken en haasten zich om de prachtige schatkist te openen. Gezichten vol ongeloof volgen meteen: de kist is leeg. Ze zien enkel zichzelf in de spiegel : ziedaar de grootste schat ter wereld. Wat een wijze les. © Katrijn Van Giel Durf verder te kijken voor het juiste antwoord op de vragen. Een dag op de troon Op de eerste verdieping zijn er in elke ruimte groepjes die deurtjes opentrekken, op knoppen duwen en hun hoofd door kijkgaten wurmen. In de Werkkamer van de Koningleren ze het verschil tussen een democratie en een dictatuur . Met een speciaal kijkglas lezen ze teksten waarbij ze ontdekken waar je wel of niet je eigen mening mag zeggen, hoe de politiek eruitziet en wat mag en niet mag. Achter de luikjes van een groot schilderij leren ze zelfs enkele Arabische woorden. “Als jij koning of koningin zou zijn, wat zou je dan doen?” vraag ik nieuwsgierig aan enkele leerlingen. Het is ook een van de opdrachten. “Als koning zou ik goede dingen doen, zoals alle kinderen gratis ijs geven en iedereen naar een toffe school laten gaan”, zegt Dio. “Ik geef dan geld aan de armen”, geeft Elodie aan. De andere meisjes vertellen in koor: “Ik zou zorgen voor de zieke kinderen”. “Als ik koningin ben, doe ik iets positiefs voor de hele wereld”, zegt Siham vastberaden. Koning Max heeft zich ondertussen op de troon geïnstalleerd en kijkt uit over de paleiszaal . “Kijk daarboven!” roept hij met een lach op zijn gezicht en wijzend naar de oplossing van de opdracht. Juf Inge maakt ondertussen wat leuke selfies met de leerlingen in de reflectie van de spiegels aan het plafond. Oordeel niet te snel In de Portrettenzaal worden de leerlingen geconfronteerd met hun eigen waarneming. Via optische illusies en lachspiegels zien ze zichzelf en elkaar in een ander perspectief. Ze trekken gekke bekken in de spiegels die je dikker of dunner maken. Hoe zien ze zichzelf: te dik, te dun of tevreden? Ik zie gelukkig veel leerlingen dat laatste aanduiden op hun routekaart. Gids Patrizia blust ondertussen een brandje. Een van de leerlingen loopt beteuterd en alleen rond. Patrizia neemt haar bij de hand en loopt met haar naar de andere leerlingen. Door de woorden van Patrizia is de ruzie snel weer bijgelegd. Ook dat is een wijze les uit deze workshop. In het Muziektempeltje leren de leerlingen via een diorama wat een zondebok is. “Heeft iemand jou wel eens de schuld gegeven van iets waar je niets aan kon doen?” Veel leerlingen knikken. Ze leren verder waarom een pester de schuld aan de zondebok geeft en waarom meelopers niets doen. © Katrijn Van Giel De leerlingen worden kort getest na de workshop. Feiten en weetjes Na anderhalf uur verzamelen de leerlingen opnieuw op de bankjes waar ze hun route startten. Gids Patrizia blikt met hen terug op hun klasuitstap naar het MigratieMuseumMigration. Wat ze ervan vonden? De workshop was leerrijk en speciaal. “We moeten beter kijken voor we een mening geven”, zegt Siham. Patrizia knikt bevestigend en voegt toe dat je alles van 2 kanten moet bekijken, vanuit een ‘helikopter’. “Wanneer mag je cadeautjes op je verjaardagsfeest uitpakken?” vraagt gids Patrizia als extra weetje. Misschien een vreemde vraag, maar in sommige landen, zoals Indonesië, mag je de cadeaus pas openen nadat alle gasten vertrokken zijn. “Ah, dat is om anderen niet jaloers te maken”, grapt Siham. Tot slot geeft Patrizia nog enkele voorbeelden van een feit, mening en vooroordeel. En vertelt ze over discriminatie. “Mevrouw, ben je Italiaans?” vraagt een van de leerlingen plots. Patrizia bevestigt. “En kan je iets in het Italiaans zeggen?” “ Mi chiamo Patrizia .” Weer wat bijgeleerd! © Katrijn Van Giel Over het MigratieMuseumMigration Het Migratiemuseum in Brussel brengt mensen samen rond migratie. Leerlingen leren via workshops op een speelse en interactieve manier over migratie, vooroordelen, diversiteit en democratie of kruipen in de huid van een vluchteling. In het Gewoon Vreemd Paleis leren leerlingen nadenken over allerlei vormen van vooroordelen, hoe ze de wereld soms door een gekleurde bril zien en hoe moeilijk het is om een eigen mening te hebben. Ze maken ook kennis met de basisprincipes van de democratie. MigratieMuseumMigration – Werkhuizenstraat 17 – 1080 Molenbeek 3 euro korting met je Lerarenkaart . Je betaalt 5 euro in plaats van 8 euro. De leerlingen van Inge volgden de workshop Gewoon Vreemd Paleis voor het lager onderwijs. Ze bereidden zich in de les voor met het pedagogisch dossier. Er is ook een aangepast bezoek voor de eerste graad lager onderwijs ‘Van Daar naar Hier’. Het museum ligt op 30 minuten wandelen van het trein- en busstation van Brussel-Noord. Het bericht Op klasuitstap naar het MigratieMuseumMigration verscheen eerst op Klasse .

21 Apr 2026

Klasse Vlaanderen

Zelfregulerend leren: 21 bouwstenen van Zimmerman

Zelfregulerend leren krijgt steeds meer aandacht, maar het is geen synoniem voor leren leren of zelfstandig werken. Professor Jeltsen Peeters loodst je door het model van Zimmerman met 21 zelfregulerende vaardigheden. Jeltsen Peeters (VUB en expertisecentrum At The Heart Of Learning): “De coronapandemie maakte pijnlijk duidelijk dat veel leerlingen niet voldoende zelfregulerende vaardigheden hadden om bij afwezigheid van de leraar tot leren te komen. En internationale vergelijkende studies wijzen keer op keer op dalende leerprestaties en hardnekkige uitdagingen op het vlak van onderwijsgelijkheid.” “De zoektocht naar effectieve interventies wijzen in de richting van metacognitieve kennis en zelfregulerend leren . Je leert je leerlingen wat effectief leren is en bouwt met hen inzicht op rond hoe ze zelf leren. Je leert ze ook de nodige vaardigheden waarmee ze hun leerdoelen kunnen behalen. Dan mag je verwachten dat leerprestaties en motivatie stijgen. Logisch, want je richt je op de kern van het leerproces. En je geeft leerlingen de nodige tools – kennis en vaardigheden – om beter te leren en te presteren.” Model van Zimmerman Jeltsen Peeters: “Hoewel zelfregulerend leren de laatste jaren vaker opduikt, is het geen nieuw begrip . Onderwijsonderzoek verkent dit thema al ruim 40 jaar. Ook jij als leraar werkt er al aan: wanneer je leerlingen laat reflecteren op hun aanpak, hen leert plannen of zelf hun fouten laat analyseren. Niks nieuws onder de zon dan? Toch wel. In de praktijk ondersteunen we zelfregulerend leren nog te impliciet en leidt het nog te weinig tot impact.” “Zelfregulerende vaardigheden komen niet vanzelf, maar moeten aangeleerd, ingeoefend en geautomatiseerd worden. Psycholoog Barry Zimmerman bracht inzichten uit motivatiepsychologie , metacognitie en leertheorieën samen in 1 model . Het model concretiseert zelfregulerend leren in 3 fasen van het leerproces en 21 vaardigheden.” “Denk aan: doelen stellen, plannen, taakinteresse, strategieën kiezen, tijdsbeheer, jezelf motiveren, hulp zoeken, zelfevaluatie … Het zijn stuk voor stuk vaardigheden die leerlingen helpen om hun leren doeltreffender te maken. Sommige vaardigheden hangen sterker samen omdat ze elkaar versterken of bij elkaar horen, bijvoorbeeld voor meer zelfmotivatie of binnen eenzelfde fase. Zo zie je in dit model van Zimmerman in 1 oogopslag waarom je welke vaardigheden wanneer inzet.” “Sommige vaardigheden komen misschien nieuw en abstract over bij een eerste kennismaking. Elke leraar weet hoe complex een leerproces in elkaar zit. Het model heeft niet de pretentie iets wat complex is te reduceren tot een eenvoudig schemaatje. Het model ontleedt net de complexiteit in plaats van die te negeren. Het model geeft leraren en leerlingen een structuur om fijnmaziger te kijken naar het leerproces. Daardoor wordt het minder chaotisch en onvoorspelbaar.” 3 fasen van zelfregulerend leren Voorbereidingsfase voor het leren: bij taakanalyse denkt de leerling na over de taak, stelt doelen, plant de nodige stappen. En bij zelfmotivatie leert die energie vinden om ergens aan te beginnen en door te zetten. Dan vallen leerlingen terug op hun competentiegevoelens, resultaatsverwachtingen, taakwaarde- en interesse en doeloriëntatie. Uitvoeringsfase tijdens het leren: de leerling leert zijn aandacht op het doel te houden, vooruitgang te boeken en de uitvoering te controleren. Dan gaat het om vaardigheden zoals zelfinstructie, tijdsbeheer, leeromgeving inrichten, hulp zoeken, zelfmonitoring, zelfregistratie. Reflectiefase na het leren: de leerling leert zichzelf te beoordelen, na te gaan of en waarom de doelen bereikt zijn, vooruit te kijken en gepast te reageren met het oog op toekomstige leerprocessen. “Deze 3 fasen vormen samen een cyclisch leerproces waarbij leerlingen voor, tijdens en na het leren zelfregulerende strategieën inzetten. Eerdere leerervaringen beïnvloeden toekomstige leerprestaties. En leerlingen moeten niet wachten tot een leeractiviteit volledig afgerond is om andere en misschien betere strategieën te gebruiken en het leerproces bij te sturen.” Download deze gratis affiche met een overzicht van alle 21 vaardigheden . 4 vragen over zelfregulerend leren © Tine Schoemaker 1. “Wat is zelfregulerend leren (ZRL) en wat níet?” Jeltsen Peeters: “ZRL is het cyclische proces waarbij leerlingen tijdens het leren zelf richting geven aan hun gedrag, gedachten, gevoelens en motivatie. Je leert ze strategieën aan waarmee ze richting geven aan wat ze denken, doen en voelen. Ze kunnen ook vertellen waarom ze bepaalde cognitieve, metacognitieve en motivationele strategieën inzetten om een leerdoel te behalen. En als leraar weet je hoe je hen daarbij ondersteunt. ZRL raakt daarmee de kern van effectief leren en lesgeven.” “Dubbel probleem: die definitie waaiert breed uit en ZRL werd een hype. Dat opent de deur voor misverstanden . Staat zelfregulerend leren gelijk aan zelfontdekkend leren of mag je het vernauwen tot begeleid zelfstandig leren? Nee! Voor ZRL heb je zowel directe instructie en modelling nodig als oefenkansen om aangeleerde strategieën te selecteren, te testen en eigen te maken. In de klas, thuis én op stage. Want ook daar moeten leerlingen plannen, oplossingen zoeken en analyseren waarom een strategie (niet) werkt.” 2. “Dit doen we toch al?” Jeltsen Peeters: “Ja, en gelukkig maar. Zelfregulerend leren zit inderdaad in het hart van leren en lesgeven. Veel leraren geven op een bepaald moment en bepaalde manier aandacht aan ZRL. Het is geen nieuw, hip concept. Dus herken je zeker een aantal elementen van het model van Zimmerman. Er is dus al veel aanwezig om op verder te bouwen .” “Maar daardoor zijn er ook een aantal valkuilen . Ik hoop dat de conclusie niet is: we doen het al een beetje, dus besteden we er verder geen extra aandacht aan. Stel jezelf vooral de vraag wat het doel van je team is. Wil je dat elke leraar aandacht heeft voor zelfregulerend leren? Of veel beter: wil je dat elke leraar binnen 5 jaar ‘live’ kan inschatten bij welke zelfregulerende vaardigheid een leerling het moeilijk heeft en weet welke ondersteuningsvorm het meest effect zal opleveren voor die leerling?” 3. “Moeten we alle 21 vaardigheden aanleren?” Jeltsen Peeters: “21 vaardigheden kunnen overweldigend overkomen. Zijn ze allemaal even belangrijk ? Hoe integreer je die in hemelsnaam allemaal in je lessen? Je kan inderdaad kiezen om op een deel van de vaardigheden van Zimmerman te focussen. Maar met het gevaar dat je als school na verloop van tijd vergeet dat je slechts met een selectie werkt. Het model van Zimmerman maakt ook duidelijk hoe alle vaardigheden met elkaar samenhangen. En welke vaardigheden het belangrijkste zijn, is sterk afhankelijk van de context en vaardigheidsniveau van de leerling.” “Voor een bepaalde huistaak helpt voor de ene groep leerlingen bijvoorbeeld vooral zelfinstructie om de taak goed te doen. Voor een andere groep leerlingen maakt emotie-regulatie bij een foutje maken het verschil.” “Een haalbare instap ? Start met 1 of 2 vaardigheden die je beter wil begrijpen en zet daarin eerste stappen. Begin met vaardigheden die je interesseren of waarvan je denkt dat de meeste van je leerlingen er baat bij hebben.” 4. “Hoe beginnen we hier als school mee?” Jeltsen Peeters: “Leerlingen laten groeien in zelfregulerende vaardigheden? Je maakt als leraar het grootste verschil in de groei van zelfregulerende vaardigheden bij leerlingen. Dus professionalisering, voldoende tijd, focus en ruimte om je kennis en vaardigheden te versterken is essentieel.” “Maar ZRL met de hele school aanpakken, is nóg krachtiger. Visie, professionaliseringsbeleid, samenwerkingscultuur kunnen individuele leraren enorm ondersteunen. Een duurzame verankering in de lespraktijk vraagt 3 tot 5 jaar.” Meer weten over zelfregulerend leren? Raadpleeg de leidraad ‘Metacognitie en zelfregulerend leren . Bevorderen en implementeren van effectieve strategieën in het basis- en secundair onderwijs’ die VUB, UGent, Thomas More, Hogeschool Rotterdam voor Leerpunt hertaalden. Het bericht Zelfregulerend leren: 21 bouwstenen van Zimmerman verscheen eerst op Klasse .

21 Apr 2026

Klasse Vlaanderen

“Als naar school gaan niet meer lukt, voel je je machteloos”

Schoolweigering is een hardnekkig en onzichtbaar probleem. Psycholoog Nele Van Driessche wil die leerlingen sneller op de radar en ziet in scholen een onmisbare partner. Ze pleit voor begrip, verbinding en volharding. “Net als je de handdoek wil gooien, is het cruciaal om door te zetten.” “Als een kind iets zo vanzelfsprekend weigert als naar school gaan, voelt iedereen zich in eerste instantie machteloos: het kind, de ouders, de school én de hulpverlener. Ikzelf dus ook.” Nele Van Driessche werkt al haar hele carrière bij De Kaap (dienst kinder- en jeugdpsychiatrie van Karus Melle). In 2016 richtte ze er samen met collega’s een dagbehandelingscentrum op voor tieners met een psychiatrische problematiek en schoolweigering. Ze zit in een denkgroep over het fenomeen en schreef er 2 boeken * over, maar die onmacht ervaart ze soms nog steeds. “Zonder pasklaar antwoord is de verleiding groot om een oplossing te forceren door dwang te gebruiken, te straffen of te belonen. Ik kan verhalen vertellen over een leerling die door zijn ouder in ondergoed op school is afgezet met een hoopje kleren naast zich, Playstations die uit het raam vliegen of talloze beloningspuppy’s, allemaal om zoon of dochter toch maar op school te krijgen.” “Het toont de wanhoop bij ouders én de hardnekkigheid van het probleem. Want hoe drastisch ook, geen enkele van die ingrepen heeft het tij langdurig kunnen keren.” “Ook scholen voelen zich machteloos als de plannen en uitzonderingen die ze met veel goede wil hebben gemaakt, niet meteen effect blijken te hebben. Dan grijpen ze vaak naar sancties of laten ze de leerling helemaal los.” Wat is schoolweigering? Bij het vertrek naar of het vooruitzicht op school, worden kinderen met schoolweigering overspoeld door intense emoties en onrust. De officiële wetenschappelijke term ‘schoolweigeraar’ wringt bij velen. Als ze konden kiezen, gingen deze leerlingen gewoon naar school. Maar het lukt hen niet. Schoolweigeraars zijn vaak kwetsbare, gevoelige kinderen. Ongeveer de helft van hen heeft een diagnostisch label. Naar school gaan, bezorgt ze veel stress en leidt soms tot spanningsgerelateerde fysieke klachten als hoofdpijn, buikpijn of hyperventilatie. De arts schrijft hen thuis, maar zo blijft het onderliggende probleem onzichtbaar. Omdat ze – in tegenstelling tot bijvoorbeeld spijbelaars – vaak gewettigd afwezig zijn, verdwijnen ze in de statistieken. Vlaamse cijfers ontbreken, maar internationaal onderzoek stelt dat gemiddeld tot 1 leerling per klas eronder lijdt. © Kevin Faingnaert Nele Van Driessche: “Schoolweigeraars voelen zich vaak onbegrepen. Hen proberen te begrijpen is de eerste stap.” Wat helpt wel bij schoolweigeraars? Nele Van Driessche: “Uit het onderzoek “Angst voor de schoolpoort” blijkt dat schoolweigeraars zich vaak onbegrepen voelen. Hen proberen te begrijpen is dus de eerste stap. Niet eenvoudig, want als we vragen wat hen van school houdt, komt er zelden een duidelijk antwoord. Om de een of andere reden lukt het hen gewoon niet.” “Samen uitzoeken wat er scheelt, vraagt veel tijd en botst vaak op weerstand . Zo begroette een meisje van 12 me wekenlang elke ochtend met een dubbele middelvinger. ‘Goedemorgen’, zei ik. ‘Blij dat je er bent.’ ’s Avonds passeerde ze speciaal langs mijn bureau om haar begroeting nog eens over te doen.” “Na 10 jaar ploeteren met schoolweigeraars begrijp ik dat scholen het soms helemaal gehad hebben met bepaalde leerlingen. Maar net als je de handdoek wil gooien, is het cruciaal om door te zetten .” “Dat meisje van 12 vertelt me nu op haar 17 e : ‘Dat was ongelofelijk. Ik kon het kot afbreken, maar jullie bleven staan. Julie gaven me nooit op.’ Elke jongere heeft zijn eigen verhaal, maar hoe divers en complex de onderliggende problematiek ook is, om vooruit te geraken zijn 2 ingrediënten cruciaal: verbinding en volharding . We geven niet op en we laten niet los.” Hoe breng je dat als school in de praktijk? Nele Van Driessche: “Als het moeilijk loopt, moet de school een bereikbaar instituut zijn. Luisteren: wat loopt er mis? En kijken: wat kunnen we doen als school? Dat is die verbinding. Soms ligt de oplossing in tijdelijk minder lessen volgen op school. Voor anderen is de speeltijd een onveilig moment of loopt het afscheid moeilijk. Dan kunnen voorspelbare en veilige routines een uitweg bieden.” “Ik ken ouders die bijna een heel schooljaar het eerste lesuur mochten meevolgen met hun tienerdochter. Dat ging lang niet altijd vanzelf. Soms geraakte de leerling ondanks alle inspanningen toch niet op school. Maar de school bleef haar verwelkomen en zoeken naar wat wel kon. Die volharding is haast net zo belangrijker als de concrete oplossing. Daarmee zeg je: ‘We geven je niet op. We geloven dat je het kan.’” Scholen zijn een onmisbare partner in het herstel Nele Van Driessche klinisch psycholoog Waar ligt de limiet? Hoeveel kan je vragen van een schoolteam? Nele Van Driessche: “We vragen inderdaad wel wat van scholen, terwijl ze al onder druk staan. Toch merken we vooral bereidheid om naar oplossingen te zoeken om leerlingen aan boord te houden. Als die zowel haalbaar zijn voor het team als voor de leerling en het gezin, kan er veel. Zeker als er vooraf al geïnvesteerd is in een sterke band tussen leerling en school.” “Moeilijker loopt het als een van de partijen engagementen aangaat die ze niet kan nakomen. Dan groeien de veronderstellingen – ‘De ouders geven wel héél snel op’ of ‘De school laat ons aan ons lot over’ – en heel snel ook het onbegrip. Gevolg: de leerling verdwijnt van de radar.” “Tegen de tijd dat wij de schoolweigeraars te zien krijgen, zitten ze vaak al lang thuis en is de communicatie met de school volledig stilgevallen. De weg terug naar school lijkt dan eindeloos. Toch proberen we na enkele weken de band met school weer aan te knopen. Ze zijn een onmisbare partner in het herstel . We kijken hoe we samen tot een haalbaar en duurzaam traject komen, niet enkel voor de leerling en het gezin, maar ook voor de school.” Wat maakt een traject duurzaam? Nele Van Driessche: “Belangrijk is dat noch de school, noch de leerling zich overstretcht. Is voltijds schoolgaan nog geen optie? Zet dan in op essentiële vakken. Soms kan schoolgaan in combinatie met Bednet of TOAH (tijdelijk onderwijs aan huis).” “Uiteraard zijn ook de ouders en de leerling verantwoordelijk of een traject slaagt. Als een lerarenteam inspanningen levert, is het heel frustrerend als de leerling plots niet meer van zich laat horen of de ouders die inspanningen niet erkennen. Met De Kaap proberen we een brug te zijn tussen school en gezin en ondersteunen we als 1 van de 2 even vastloopt.” “ Scholen die op hun limiet zitten , slaan soms door in 2 richtingen. Ofwel verstarren ze: ‘Voor alle leerstof en examens verwachten we ze op school, ook al zijn ze in opname.’ Andere vergeten in hun welwillendheid nog verwachtingen te stellen. Dan zeggen we: de jongere moet zijn diploma of attest wel verdienen.” Welke impact heeft schoolweigering? De impact is groot. In eerste instantie lopen schoolweigeraars leerachterstand op en missen ze vaak een schooljaar. Ze haken ook af op andere domeinen en laten bijvoorbeeld hun hobby’s schieten, waardoor ze verder sociaal geïsoleerd geraken. In het rapport ‘Thuiszitters uit de schaduw’ waarschuwt het Kinderrechtencommissariaat dat het recht op leren van langdurige thuiszitters zoals schoolweigeraars, steeds vaker in het gedrang komt en dat hun aantal fors toeneemt. Op de lange termijn toont onderzoek dat ze het moeilijker hebben op de arbeidsmarkt en dat ze ook op latere leeftijd vaker psychologische klachten hebben. Maar het weegt ook op hun omgeving. Als het een kind niet meer lukt om naar school te gaan, moet het hele gezin zich herorganiseren. En er is de psychologische impact op de ouders en andere kinderen in het gezin. © Kevin Faingnaert Nele Van Driessche: “Wie inzet op schoolbinding doet preventief heel waardevol werk.” Kunnen scholen preventief veel betekenen in de strijd tegen schooluitval? Nele Van Driessche: Daar hebben ze potentieel de meeste impact. Als leerlingen zich thuis voelen op school en een sterke band hebben met de leraren, vallen ze minder snel uit. Wie inzet op schoolbinding en dat als team ook uitdraagt, doet preventief heel waardevol werk.” “We zien dat de overstap naar het secundair onderwijs een trigger is voor schoolweigering. De klasleraar die je door en door kent, de directeur die je ’s ochtends welkom heet, klasgenoten waar je 6 jaar lang mee opgroeit: die veiligheid en vertrouwdheid verdwijnen een beetje in een middelbare school, waar 10 verschillende leraren op je wachten, waar je zelf je weg moet zoeken naar het juiste klaslokaal en geen idee hebt wie je kan aanspreken als je even verdwaald bent.” “Een duidelijk aanspreekpunt of een bekend gezicht dat hen ’s ochtends welkom heet op school, kan leerlingen helpen om zich welkom en gehoord te voelen. De meeste preventieve acties passen perfect binnen de brede basiszorg .” “Maar ook een goed registratiesysteem is preventief heel belangrijk. Doordat leerlingen vaak gewettigd afwezig zijn, glippen ze gemakkelijker door de mazen van het net. Wie goed registreert, maakt zorgwekkende afwezigheden sneller zichtbaar, ook als ze niet officieel als problematisch gecodeerd worden.” “Zo detecteer je gemakkelijker leerlingen die opvallend vaak ziek zijn, of systematisch op bepaalde lesmomenten afwezig zijn. Als een leerling plots 3 weken afwezig is, bel dan even om te horen hoe het gaat. Achter elke afwezigheid, gewettigd of niet, zit een verhaal. En hoe vroeger je die verhalen capteert, hoe effectiever je kan ingrijpen .” Vermijding is de meest efficiënte manier om met emoties om te gaan Nele Van Driessche klinisch psycholoog Wat maakt schoolweigering zo hardnekkig? Nele Van Driessche: “Vermijding is de meest efficiënte manier om met emoties om te gaan. Wie bang is voor de tandarts, voelt de onrust toenemen naarmate de afspraak nadert. 1 telefoontje volstaat om de afspraak te annuleren en alle spanning valt weg. Vermijden werkt heel erg belonend .” “Zo gaat het ook met leerlingen die school mijden. De beloning is het comfort van thuis, geen stress voor taken en toetsen en sociale veiligheid. Dat comfort lossen, geeft onbehagen, buikpijn, paniek. Het risico bestaat dat ze zich verder isoleren in de veilige cocon van hun kamer en haast elk sociaal contact uit de weg gaan .” “Dat is het punt waarop de onmacht bij de omgeving de kop opsteekt. Niets lijkt nog te helpen. Goed bedoelde plannen vallen op een koude steen. Het lijkt haast sabotage, ook al is het pure angst en onvermogen.” “Om die vicieuze cirkel te doorbreken, gaan we op zoek naar wat hen nog wel interesseert, waar ze nog energie uit halen. Dat verlangen proberen we te gebruiken als hefboom voor verandering. Dieren maken vaak iets los, maar ook creatief bezig zijn of koken kunnen een trigger zijn. Dat kan bijvoorbeeld via een NAFT-traject .” “Die activatie is minstens zo belangrijk als therapie. Net zoals we van scholen verwachten dat ze een appel blijven doen op leerlingen die afhaken, is het aan ouders om ze te blijven uitnodigen om samen te eten, bepaalde taakjes in huis te blijven verwachten, ook al laden ze de vaat uit met een grote zucht. De boodschap is opnieuw: we willen je erbij.” * ‘Schoolweigering!? Aan de slag!’ verschijnt in juni bij Gompel&Svacina Het bericht “Als naar school gaan niet meer lukt, voel je je machteloos” verscheen eerst op Klasse .

17 Apr 2026

Klasse Vlaanderen

Nieuwe minimumdoelen in basisonderwijs: 10 vragen

Vanaf 1 september 2026 moeten basisscholen van de kleuterklas tot het derde jaar de nieuwe minimumdoelen voor Nederlands, wiskunde en wetenschappen en techniek aanbieden. Een antwoord op de meest prangende vragen. Wat zijn de grootste verschillen tussen de nieuwe minimumdoelen en de vorige eindtermen? De minimumdoelen leggen een aantal nieuwe klemtonen. Ten eerste ligt de nadruk op een diepgaande, gestructureerde en cumulatieve opbouw van kennis . Leerlingen krijgen geen set van oppervlakkige en geïsoleerde feitjes, maar krijgen coherente kennis die horizontaal (tussen vakdisciplines) en verticaal (over leerjaren) samenhangt. Zo bouwen ze kennisnetwerken op. Ten tweede zijn de nieuwe minimumdoelen ingedeeld in 10 ‘vakdisciplines’ : Nederlands, wiskunde, Frans, wetenschap en techniek, geschiedenis, aardrijkskunde, muzische vorming, lichamelijke opvoeding, ICT en attitudes. Voor het eerst zitten er ook leerondersteunende vaardigheden – denk aan plannen en structureren – bij. Die vind je onder de vakdiscipline ‘attitudes’. Nog nieuw: zoek niet langer naar ontwikkelingsdoelen of leergebied-overschrijdende eindtermen. Er zijn alleen nog minimumdoelen die na te streven of te bereiken zijn. Bovendien zijn die minimumdoelen vastgelegd op 3 scharniermomenten in het basisonderwijs: de derde kleuterklas, het zesde jaar lager onderwijs én nu ook het vierde jaar lager onderwijs. De nieuwe minimumdoelen implementeren vraagt veel werk. Moet het allemaal in 1 keer? Terechte zorg: de nieuwe minimumdoelen realiseer je niet in een vingerknip. Daarom krijgen scholen tijd om ze in te voeren. De hervorming start in het kleuteronderwijs en de eerste jaren van het lager onderwijs. Vanaf schooljaar 2026-2027 moeten kleuterleraren en de leraren van het eerste tot en met het derde jaar aan de slag met de minimumdoelen voor Nederlands, wiskunde en wetenschappen en techniek. Vanaf 2027-2028 volgen de minimumdoelen van alle andere vakdisciplines. De hogere jaren van het lager onderwijs volgen stapsgewijs en implementeren schooljaar per schooljaar de nieuwe minimumdoelen. Hoe dat traject eruitziet, zie je in onderstaand schema. Krijg je in die periode bezoek van de onderwijsinspectie? Die hanteert een gedoogperiode . In het schooljaar 2026-2027 spreekt ze geen ongunstig advies uit over de implementatie van de minimumdoelen. En tot en met het schooljaar 2030-2031 kan een doorlichting niet leiden tot een ongunstig advies als scholen de doelen nog niet of niet volledig bereiken. Verandert er iets voor het buitengewoon onderwijs? Ja. Ook in het buitengewoon onderwijs gelden voor het eerst dezelfde minimumdoelen als basis om het individueel aangepast curriculum (IAC) op te stellen in een cyclisch proces van handelingsplanmatig werken. De klassenraad selecteert er doelen uit en concretiseert ze, vult ze aan en stemt ze af op de beginsituatie en onderwijs- en ondersteuningsbehoeften van de leerling. Door dit gemeenschappelijk doelenkader kunnen leerlingen eenvoudiger van het gewoon naar het buitengewoon onderwijs gaan en omgekeerd. Worden de eindtermen secundair onderwijs afgestemd op de nieuwe minimumdoelen basisonderwijs? Het kennisrijk curriculum werd pas geïntroduceerd bij de ontwikkeling van de nieuwe minimumdoelen basisonderwijs. Toen waren de nieuwe eindtermen secundair er al. Daardoor zijn beide doelenkaders op dit moment onvoldoende op elkaar afgestemd . De ontwikkeling van een meer samenhangend en kennisrijk curriculum over de onderwijsniveaus heen staat in elk geval gepland. Hoe bepaalt de klassenraad of een kleuter mag overgaan naar het eerste leerjaar? De meeste minimumdoelen in het kleuteronderwijs zijn na te streven. Daarnaast zijn er voor het eerst ook minimumdoelen die bereikt moeten worden op populatieniveau (door een meerderheid van de leerlingen): woordenschat en luistervaardigheden bij Nederlands en getalbegrip bij wiskunde. Of een leerling mag overgaan op het einde van de derde kleuterklas, dat bepaalt de klassenraad vanaf het schooljaar 2026-2027. Wat als leerlingen de minimumdoelen niet halen? In het vierde jaar lager onderwijs zijn de minimumdoelen vastgelegd op populatieniveau. Dat houdt in dat een meerderheid van de leerlingen ze moet bereiken. Door de minimumdoelen kunnen teams vooruitgang meten en is er nog 2 jaar tijd om bij te sturen als dat nodig blijkt, tot een leerling afstudeert aan de basisschool. Voor wiskunde en Nederlands gelden minimumdoelen echter op individueel niveau aan het einde van het lager onderwijs, omdat die vakdisciplines essentieel zijn om succesvol in te stromen in het secundair onderwijs. De klassenraad beslist autonoom of een leerling het getuigschrift basisonderwijs krijgt. Ze gaat daarvoor na of een leerling voldoende minimumdoelen bereikt heeft. Ook als een kind niet elk individueel te bereiken doel haalt, kan de klassenraad het getuigschrift toch toekennen. De minimumdoelen zijn concreet en uitgebreid. Hoeveel autonomie hebben leraren nog? De nieuwe minimumdoelen zijn concreter geformuleerd dan de vorige eindtermen. Dat is een bewuste keuze: het zorgt voor een gedeelde kennisbasis . Wat élke leerling minimaal moet kennen en kunnen, is duidelijk. Toch blijft er op verschillende vlakken autonomie voor leraren en teams. Ten eerste vullen ze vanuit hun pedagogisch project zelf in hóe ze de minimumdoelen aanpakken: zij kiezen didactische werkvormen en voorbeelden, zij bepalen het tempo en de methode. Daarnaast werd vastgelegd dat de helft van de onderwijstijd naar Nederlands en wiskunde moet gaan. Maar lestijd voor Nederlands en wiskunde kan ook in andere vakdisciplines zitten. Tot slot krijgen scholen en onderwijsverstrekkers veel ruimte om verder te gaan dan de nieuwe minimumdoelen en worden ze aangemoedigd om leerplannen te maken die veel ambitieuzer zijn. Leidt de focus op taal en wiskunde tot minder aandacht voor de andere vakdisciplines? De focus op Nederlands en wiskunde wil bijdragen aan een sterke basisvorming in de vakdisciplines die het meest bepalend zijn voor leerwinst en onderwijskansen . Maar die keuze moet niet ten koste gaan van andere vakdisciplines. Scholen bepalen immers zelf in welke leergebieden en via welke didactiek ze Nederlands en wiskunde aanbieden. Ook in aardrijkskunde of muzische vorming kan je dus perfect onderwijstijd voor Nederlands en wiskunde opnemen. De nieuwe minimumdoelen zijn ingedeeld in 10 vakdisciplines. Eentje daarvan – ‘ attitudes ’ – neemt een bijzondere plaats in omdat je die minimumdoelen het best integreert in inhouden van de andere vakdisciplines. De minimumdoelen binnen attitudes moeten in het lager onderwijs ook bereikt worden. Daarnaast werd vastgelegd dat de helft van de onderwijstijd naar Nederlands en wiskunde moet gaan. Maar lestijd voor Nederlands en wiskunde kan ook in andere vakdisciplines zitten. Tot slot krijgen scholen en onderwijsverstrekkers veel ruimte om verder te gaan dan de nieuwe minimumdoelen en worden ze aangemoedigd om leerplannen te maken die veel ambitieuzer zijn. De nieuwe minimumdoelen wil maximale kansen geven aan élke leerling. Kan dat met focus op kennis? Onderzoek heeft aangetoond dat een kennisrijk curriculum de grootste impact op kinderen uit kwetsbare gezinnen heeft. Die kinderen en jongeren zijn vaak afhankelijk van de school om kennis en woordenschat op te pikken. Een school speelt dus een belangrijke rol bij het dichten van de kloof tussen kansrijk en kansarm. Hoe lang kan een school of team haar huidige methodes nog gebruiken? Scholen en leraren moeten zelf nagaan of een methode de nieuwe minimumdoelen dekt. En zo niet, hoe ze de methode dan aanvullen zodat de minimumdoelen nagestreefd of bereikt worden. Intussen ontwikkelde Leerpunt een kwaliteitskader voor leermiddelen . Uitgeverijen kunnen er nieuw materiaal laten screenen. Daarbij gaat de prioriteit in een eerste fase naar methodes voor Nederlands en wiskunde. Dit artikel kwam tot stand in samenwerking met AHOVOKS , het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Op zoek naar meer informatie over de nieuwe minimumdoelen? Via onderwijsdoelen.be kan je ze raadplegen en opvragen. Je vindt er ook webinars en presentaties per vakdiscipline. Het bericht Nieuwe minimumdoelen in basisonderwijs: 10 vragen verscheen eerst op Klasse .

2 Apr 2026

Klasse Vlaanderen

Onderwijsspiegel 2026: 6 reflectievragen voor leraren en directeurs

Onderwijskundig beleid op de klasvloer brengen, blijft hét werkpunt voor scholen. Dat besluit de onderwijsinspectie in haar jaarverslag, Onderwijsspiegel 2026. Hoe werk jij daaraan? Stel als leraar en als team 6 reflectievragen. Na een doorlichtingsbezoek krijgen scholen een rapport met een beoordeling. Die kan 4 kanten uitgaan : gunstig zonder meer, gunstig met werkpunten die aangepakt moeten worden, ongunstig met de mogelijkheid om de erkenning niet in te trekken en – ontzettend uitzonderlijk – ongunstig met verlies van erkenning. In 2024-2025 werden 531 scholen doorgelicht. 37% krijgt een gunstig advies zonder voorwaarden en voldoet dus aan alle verwachtingen van het referentiekader voor onderwijskwaliteit , het uitgangspunt van de Inspectie 2.0 . Dat is opvallend minder dan vorig jaar. Een goeie 40% van de 392 doorgelichte basisscholen en 139 secundaire scholen krijgt een gunstig advies met de plicht om enkele werkpunten vast te nemen en het vertrouwen dat ze dat zelf kunnen. Toch stijgt ook het aantal ongunstige adviezen tegenover vorig schooljaar: van 12% naar 18% in het basisonderwijs, van 13% naar 24% in het secundair. Die scholen vertonen ernstige tekorten en krijgen hulp om die aan te pakken . Alleen in het buitengewoon basisonderwijs gaat het aantal ongunstige adviezen niet omhoog. Lichtpunt? Veel scholen hebben een sterk organisatiebeleid en een heldere visie. Ze weten wat ze willen bereiken met hun onderwijs en teams scharen zich achter die vlag. Alleen raakt die visie bij twee derde van de scholen onvoldoende tot op de klasvloer aldus de Onderwijsspiegel 2026. Concreet ontbreekt het vaak aan doelgerichte maatregelen en afspraken. Soms knelt het verderop in de keten als scholen de kwaliteit onvoldoende cyclisch en betrouwbaar evalueren. Daardoor is het onderwijs op de klasvloer in veel scholen nog niet kwalitatief genoeg. De verschillen tussen scholen zijn groot, maar veel voorkomende knelpunten zijn onder andere de aansluiting tussen les en leerdoel, een denkstimulerende en taalontwikkelende aanpak in de klas en effectieve feedback. Het pad naar betere onderwijskwaliteit is hobbelig. Klasse zocht daarom naar de 6 grootste struikelblokken uit de Onderwijsspiegel 2026. 3 vragen op klasniveau Lessen die vertrekken vanuit duidelijke leerdoelen, krachtige instructies of effectieve feedback? Bepaal als schoolteam welke obstakels de weg naar betere onderwijskwaliteit bemoeilijken: evalueer de klaspraktijk met deze 3 reflectievragen en bijbehorende tips. 1. Start je les vanuit duidelijke doelen? Een goede afstemming op de leerdoelen en sterke leerlijnen zijn dé fundamenten voor je les. Verwoord de leerdoelen zodat je leerlingen ze begrijpen en weten wat ze moeten kennen en kunnen op het einde van de les. Tips: Lees hoe een kleuterteam en een basisschool concrete leerlijnen uitwerken rond de nieuwe minimumdoelen. Geef talent meer ruimte en dijk ongelijkheid in met hoge verwachtingen voor al je leerlingen. Haal de voorkennis van je leerlingen naar boven. Als je les vertrekt vanop dat startblok, spring je verder. 2. Kies je voor sterke instructie? Elke leerling moet naar zijn zone van naaste ontwikkeling. De eerste stap: krachtige instructie. Stem die af op de verschillen in je klas. Kinderen met minder taalgevoel kan je vooraf door nieuwe woordenschat loodsen en een cognitief sterk functionerende leerling is gebaat bij extra uitdaging. Kies daarbij altijd voor hoge verwachtingen. Met doordachte werkvormen kan je alle leerlingen activeren en diep doen nadenken. Tips: Ga voor krachtige directe instructie , met een mix van klassikale en verlengde instructie . Geef je leerlingen inzicht in effectieve leerstrategieën en werk aan zelfregulatie . Complexe, activerende en taalontwikkelende opdrachten : elke doelgroep heeft ze nodig. Je klas verdelen ? Groepeer flexibel en kies niet voor vaste homogene of heterogene groepjes. 3. Zet je feedback leerlingen aan tot leren? Goede, motiverende feedback is een ontzettend krachtige leerinterventie. Focus daarbij niet alleen op het product, de fouten en de prestaties maar ook op het proces en de zelfregulerende vaardigheden van je leerlingen. Koppel feedback aan duidelijke doelen en heldere succescriteria. Dan weten leerlingen wat ze al goed doen, wat de vervolgstappen in hun leerproces zijn (feed forward) en investeren ze voldoende tijd om met je opmerkingen te verwerken. Tips: Feedback is een startpunt , geen eindpunt . Leerlingen moeten met je feedback aan de slag . Hoe lukt dat op schrijftaken efficiënter ? En win je tijd met AI ? Design backwards: bepaal eerst je leerdoelen , dan je evaluatie en pas daarna je lessen. Zo stem je alles beter op elkaar af en zorg je voor meer transparantie. Extra tips voor het opstellen van een goede toets ? Focus ook op de zelfregulatie en het proces van je leerlingen : met welke tips, voorbeelden en strategieën stuur je hen tijdens hun proces bij? 3 vragen op beleidsniveau Obstakels gesitueerd? Effen het pad voor je leraren met deze 3 reflectievragen en bijbehorende tips. En baan je samen een weg naar meer onderwijskwaliteit – en een score boven verwachting bij je volgende inspectie. 1. Dringt je schoolvisie door tot in de klas? Weet de school waarvoor ze staat en wat ze met haar onderwijs wil bereiken? Staat het hele team achter die visie? Prima. Maar laat het daar niet stoppen. Zet de visie samen om in duidelijke, meetbare doelen en acties met een haalbare timing. Tips: Creëer een draagvlak voor beleidsbeslissingen, bijvoorbeeld met cocreatie of gedeeld leiderschap . Zijn de afspraken ook voldoende concreet en meetbaar ? Verstaat iedereen hetzelfde onder paraplutermen als ‘kwaliteit’ of ‘veilig leerklimaat’? En hoe meet je bijvoorbeeld of leraren ‘voldoende’ taalsteun aanbieden? Waar wil je als school impact op hebben? Wat wil je bereiken met je leerlingen? En wat is momenteel geen prioriteit? Stel je schoolconcept scherp met concrete en haalbare doelen. ︎ Je beleid naar de klasvloer: directeurs Mariëlle, Ruben en Gerrit illustreren dat het een samen-verhaal is . 2. Bruist je school van teamwerk en leergoesting? Als je leraren het beleid goed in de vingers hebben, zijn jullie straf bezig. Met duidelijke leerlijnen, professionaliseringstrajecten en samenwerking schakel je als team nóg een versnelling hoger. Tips: Versterk het teamgevoel . Het vertrouwen dat je als schoolteam het verschil maakt voor je leerlingen – oftewel collective teacher efficacy – is erg krachtig. Geef vak- en werkgroepen richting , onder andere door ze agendapunten aan te reiken. Werk aan een open feedbackcultuur , bijvoorbeeld met leerwandelingen . Stem professionalisering op de talenten en noden van je team – en je beleidsprioriteiten – af. Geef ruimte om te groeien: snoei in planlast en de wildgroei aan zorgplannen . Spoor eventuele conflicten op tijd op en bemiddel . En niet vergeten: samenhang in je team is een werk van lange adem . Hou de teammoraal hoog; draag fierheid uit en vier je successen! 3. Plan en evalueer je cyclisch en betrouwbaar? Plannen, uitvoeren, controleren en bijsturen: doorloop je dat evaluatierondje regelmatig? En breng je verschillende soorten data in? Heldere doelen die je cyclisch en betrouwbaar evalueert, geven de kwaliteit van je beleid én het onderwijs op de klasvloer een enorme boost. Tips: Waarom doen jullie wat jullie doen? Onderbouw met wetenschap en betrouwbare data : gestandaardiseerde toetsen als de KOALA-taalscreening of Vlaamse toetsen , de DataWijzer van de onderwijsinspectie en de voelsprieten van je leraren zijn een schat aan informatie. Waar staan jullie in het proces? Vooruitgang monitoren kan eenvoudig met de progressiecirkel . En kent iedereen de schoolbrede to-do-lijst? Hang je ‘to do’, ‘doing’ en ‘done’ -actieplan zichtbaar in de lerarenkamer. Hebben maatregelen wel het beoogde effect? Met de keep-stop-change-start-methode evalueer je overzichtelijk of je een beleidsactie houdt, stopt of aanpast. Zin in meer verdieping? Uitgebreidere adviezen? Reflecties van onderwijsinspecteurs en experts? Lees de Onderwijsspiegel 2026 . Het bericht Onderwijsspiegel 2026: 6 reflectievragen voor leraren en directeurs verscheen eerst op Klasse .

1 Apr 2026